Beginpagina van Plantaardigheden.nl

 

 

Actuele toepassingen van planten
Sitemap
Index

Plantaardigheden.nl
Artikelen over planten

Leesmaar.nl
Dodoens en andere bijzondere boeken

Leeswerk.nl
Plantenboeken opengelegd

De volksnamen van onze planten (Uittien)

Vergeten woorden

   Talen en dialecten veranderen voortdurend en het lijkt tegenwoordig wel alsof de dialecten helemaal uitgeroeid zullen worden door de grote invloed, die het zogenaamde algemeen-beschaafd en de schrijftaal uitoefenen.

   We zijn bang voor onbeschaafd of ouderwets door te gaan, als we de eigen moedertaal gebruiken en doen ons best de holle lange woorden van het oppervlakkige krantenvolk over te nemen.

   Zo verdwijnen er voortdurend oude woorden uit onze taalschat.

   Maar in staande uitdrukkingen en samenstellingen blijft er soms stiekem een versteend restje achter.

   Vooral in eigennamen, plaatsnamen en ook plantennamen komen soms woordstammen voor, die men verder vergeefs zoekt.

   De samenstelling van zo'n naam is dan meestal vergeten, maar het geheel conserveert die woordstam voor het nageslacht, zoals een band van en oud boek soms fragmenten bevat van handschriften die door de binder eeuwen geleden als waardeloos vulmateriaal gebruikt werden, maar die voor ons bijzonder interessant zijn, als we een volledig handschrift van die soort missen.

   Iets dergelijks is het geval met de namen zonnedauw en eiloof en het woordje 'bol' in roebol, bolderik en witbol.

Zonnedauw

   Het is erg verleidelijk om de naam zonnedauw van het bekende insectenetende plantje (Drosera) met de zon in verband te brengen. En toch is het fout.

   Dodonaeus [Rembert Dodoens] heeft die verkeerde verklaring in de wereld gebracht, naar het schijnt, want in de oudere kruidboeken komt dit geslacht niet voor.

   In de tweede druk (1563) van zijn bekende "Cruydeboeck" vindt men op blz. 354 een afbeelding van de zonnedauw, die hij tot de mossen rekent, met het opschrift: Sondauw = ros solis. [De tekst van de "ghedaenthe".leest:]

"Dit cruyt es van een seer vremde ende wonderlijcke natuere, want al eest dat die sonne lange ende vele daer op schijnt zoo wordt dit cruyt nochtans altijt nat ende bedauwt gevonden, ende aen die hayerkens van den bladerkens met cleyne droppelkens van water gheladen. Ende hoe die sonne heeter ende meer op dit cruyt schijnt hoe dattet natter ende meer bedauwt es. Ende daer omme worddet oock Sondauw gheheeten."

   Deze verklaring werd door [Henry] Lyte in 1578 in zijn Engelse bewerking van Dodoens' kruidboek overgenomen en is sindsdien nauwelijks meer uit te roeien gebleken.

   Ook in de grote "Flora van Nederland" van H. Heukels, deel II, 1909, blz. 329 kan men dit verhaal nog lezen.

   Intussen is de oorspronkelijke vorm sindauw geweest, zoals nog in 1600 voor Silezië wordt opgegeven.

   Men vindt het woord als synnauw, zinauw, sinouw, etc. in allerlei uitheemse en Nederlandse kruidboeken voor Alchemilla (leeuwenklauw, vrouwenmantel), een plant die vaak met een krans van dauwdruppels aan zijn bladen prijkt.

   Beide soorten [zonnedauw, vrouwenmantel] worden in de oudere kruidboeken drosion genoemd, wat Grieks is en 'dauwplant' betekent. [Matthijs de] Lobel (1581) wijst al op deze verwarring.

   Sinds Linnaeus heet de zonnedauw officieel Drosera.

   In de oudere vormen sindauw en synnauw van zonnedauw betekent het eerste lid, sin of syn, 'groot', 'voortdurend', 'al-'.

   We kennen dit woordje ook nog in de samenstelling zondvloed (Duits Sintflut), wat 'grote vloed' of 'al-vloed' betekent en dus niets met zonde te maken heeft.

   Ook in andere plantennamen is die ouderwetse stam bewaard gebleven, namelijk in zenegroen of, zoals het nog bij Dodonaeus heet, senegroen of ingroen.

   In het Nederlands verstaat men onder dit 'altijd-groen' een kleine paarse lipbloemige, Ajuga reptans.

   De naam is niet bepaald toepasselijk. Beter doen de Engelsen het, die onder singreen of sinna-green het huislook (Sempervivum tectorum) verstaan.

   Ook de Duitsers hebben meer gelijk, wanneer ze, zoals van ouds gebruikelijk, met Senegrün, Singrün, Syngron, Yngrün (Brunfels, Bock) de maagdepalm (Vinca minor) bedoelen.

   De Nederlandse naam zenegroen voor Ajuga zal oorspronkelijk wel op een verkeerde identificatie berusten, maar dit doet aan het feit niets af, dat dit 'zene-' net als 'zon' in zonnedauw en 'zonde' in zondvloed iets anders betekent dan men op het eerste oog zou denken.

Eiloof

   De naam eiloof is in heel Saksisch Nederland bekend voor de klimop (Hedera helix). Bij nader inzien is het niet zo vreemd als het lijkt, want in het Engels heet die plant ivy en in het Duits Efeu, wat allebei hetzelfde woord is.

   Gaat men namelijk tot de Middeleeuwen terug, dan vindt men in onze taal ieve, ive, yf, iewe (Verwijs en Verdam, "Middelnederlandsch woordenboek", III, blz. 803); in Duitsland Yve, Ywenboom, Ywenlof, Iwenloff ("Lubecker bijbel" van 1483), enz., terwijl in oud-Engelse handschriften van omstreeks het jaar 1000 de naam als ifig gespeld wordt.

   De vorm eyloof is, evenals eyckloof, heylloof, iloof, ieft en hieft, al in de 16e eeuw door Kiliaen voor ons land opgetekend.

   Ook Ebich is in die tijd bekend ("Grooten Herbarius", 1514; zie ook Gallee in "Driemaandelijksche Bladen", II, blz. 53) en daarmee zijn we bij de betekenis van het eerste lid van eyloof aangekomen, namelijk 'eeuwig', naar de meest in het oog springende eigenschap van de plant, het altijdgroene blad.

   Vele van deze namen behoren ook bij de hondsdraf (Glechoma hederacea), die van ouds, al door de Romeinen, voor een soort klimop werd aangezien.

   Hedera terrestris was de gangbare naam voor de hondsdraf vóór Linnaeus de geslachtsnaam Hedera voor de klimop reserveerde.

   Maar ook de taxus of venijnboom (Taxus baccata), een conifeer, die vroeger erg in de mode was vanwege het bijzonder harde hout, draagt veel dergelijke namen.

   Hij heet in Twenthe en de Graafschap ieve, soms yfboom of iebenboom, namen die men al bij Kiliaen vinden kan.

   In het Duits is het Eibe, in het Engels ewe, ife of, thans algemeen, yew, zoals iedereen dient te weten die een Engelse rebus moet oplossen.

   Daarin wordt het woordje 'you' namelijk steeds weergegeven met een plaatje dat een yew voorstelt, zoals wij in een rebus een spar tekenen als we het woordje 'den' willen symboliseren.

   Ook de taxus heeft altijdgroen, dus eeuwig loof, waaraan hij het te danken heeft dat hij vroeger net als het palmboompje (Buxus sempervirens) als symbool van het eeuwige leven of de opstanding bij het Paasfeest dienst moest doen en palm heette.

   Aan de hardheid van het hout, in de Middeleeuwen vooral voor bogen gebruikt, en misschien ook aan de giftigheid voor het vee heeft de boom het te danken, dat hem zelf in ons land niet het eeuwige door de mens schijnt beschoren te zijn.

   We waren meer in de historische lijn gebleven en ook meer in overeenstemming met de verwante talen, wanneer de naam eiloof officieel erkend was in plaats van die van klimop, maar het laatste was duidelijker en meer bekend en zo is de keuze ten gunste van klimop beslist.

   Daarmee is het mooie oude woord ten dode opgeschreven.

Roebol, bolderik, witbol

   Een zonderlinge en tot nu toe, zover mij bekend, niet verklaarde naam is roebol voor de akkerpaardestaart [heermoes] (Equisetum arvense).

   Al in mijn jeugd verbaasde ik mij over die naam en sinds ik, in Deventer wonend, uitzie op een huis dat het woord roebol in de gevel draagt, waarschijnlijk omdat de tuin met moeite op de paardestaart is veroverd, heb ik alle reden om naar een verklaring te zoeken.

   Heukels ("Woordenboek der Nederlandse volksnamen van planten", 1907) geeft de naam op voor het hele oosten des lands, van Friesland en Groningen tot en met de Graafschap, in de vormen: roebol, roobol, roebolt, rowbolt, rouwbol, rűgebol, rükebol en ruwbolt.

   Een verwante soort, de lidrus (Equisetum palustre), heet ook roebol, roegebol, roekebol, roewbol, roobol.

   In K. ter Laans "Groninger Woordenboek" van 1929 en het "Friesche Woordenboek", deel III, 1911, blz. 46 staan nog andere schrijfwijzen.

   Ook in de buurt van Osnabrugge kent men roewes, rauhbold en roewboll (Koch, "Flora des regionalen Bezirks Osnabrück", 1934, blz. 11).

   Ook als familienaam is Roobol welbekend.

   Het ligt voor de hand om het eerste lid van het woord roebol te verklaren als 'ruw', 'ruig', want de stengels vallen op door hun ruwheid, die aan kiezelzuur is te danken.

   Daarmee hangen ook de namen schaafstro en schuurbies samen, evenals (Duits) Zinnkraut, Schüerrüsken, Pfannebutzer, Riebel en Reibisch (van reiben = 'wrijven') en Kannenkraut, (Engels) dishwashings en shaveweed, (Deens) Skavgrejs, enzovoort.

   Al deze namen hebben betrekking op een derde, in ons land vrij zeldzame soort, namelijk schaafstro (Equisetum hyemale), die vroeger in de handel was, speciaal ten behoeve van de schrijnwerkers voor het gladmaken van meubelen.

   Voor deze en andere folkloristische bijzonderheden verwijs ik naar mijn artikel in "Eigen Volk", VIII, 1936, blz. 49-53.

   Het tweede lid van ons woord roebol zou men met enige goede wil misschien in verband kunnen brengen met de enigszins bolvormige sporenaar, zoals men immers ook het woordje 'bol' in bolderik graag verklaart uit de bolvorm van de zaden.

   Toch is dit hoogst onwaarschijnlijk. De sporenaar ziet men niet altijd en ze is ook eer langwerpig dan bolvormig.

   Het woord 'bol' moet een heel andere betekenis hebben.

   Dit kan nu m.i. niets anders zijn dan onkruid.

   Aan de oostrand van de Veluwe is bol de naam voor de ronde korreltjes die afkomstig zijn van wikke (Vicia) en aan het roggebrood een bittere smaak geven.

   Ook hier zou men kunnen menen dat de naam op de bolvorm van de zaden sloeg, maar ook de plant zelf staat als bol bekend.

   Aan een boer uit Brummen vragend, wat nu eigenlijk bol precies was, kreeg ik tot mijn verbazing ten antwoord: nachtschade. Bedoeld werd Solanum nigrum.

   Nog zou men aan de bolvorm van de vruchten van deze plant kunnen denken, maar dezelfde zegsman verzekerde mij dat er ook in de rogge bol groeide en daarmee bedoelde hij de wikke.

   De naam bolkruid vindt men ook in Heukels, zonder vermelding van een bron, voor Solanum nigrum opgegeven.

   Op blz. 59 blijkt dan dat ook de gewone korenbloem Centaurea cyanus) wel eens blauwbol en bol genoemd wordt.

   Ook hier geeft Heukels de herkomst van de opgave niet aan, een bewijs dat de naam in de tijd van samenstelling van het boek niet meer bekend was.

   De opgave stamt waarschijnlijk uit "Neerlands Plantenschat of landhuishoudkundige Flora" door H.C. van Hall (1854), waar op blz. 121 het woord bol als de Deventer volksnaam voor de korenbloem staat vermeld.

   En tenslotte heeft men dan nog de bolderik (Agrostemma githago), die bol, bolder, bolle, bolbloem en in de meeste provincies bolderik heet.

   In Westfalen heet die plant ook Boll en Buoll, wat Marzell in Hegi's "Illustrierte Flora von Mitteleuropa", III, blz. 273 aan de vorm der zaadkorrels ontleend acht.

   Het feit dat zo verschillende namen als Equisetum, Centaurea, Solanum, Agrostemma en Vicia bol-namen dragen, terwijl de enige overeenkomst bestaat in het feit dat ze lastige akkeronkruiden zijn, pleit er m.i. voor dat we de verklaring uit de bolvorm moeten laten schieten en bol eenvoudig als 'onkruid' opvatten.

   Dan is ook witbol in de namen van twee grassoorten, namelijk gestreepte witbol (Holcus lanatus) en gladde witbol (Holcus mollis), opgehelderd.

   Het zijn sterke, wit-wollige grassen, die niets bolvormigs hebben, maar wel een onwelkome gast, een onkruid of bol-plant dus, zijn.

Nader onderzoek

   In het "Woordenboek der Nederlandsche Taal" naar aanknopingspunten zoekend voor deze uitlegging stuiten we op de volgende opmerking in deel III, blz. 293: "Het mnl., mnd., nnd. bol; elders niet voorkomende.

   De hedendaagse opvatting: bolrond, waarbij alleen aan de vorm gedacht wordt, treedt eerst gaandeweg in de late taal op de voorgrond; ouder en oorspronkelijker schijnt die van: slap, week, pafferig, ondicht, voos, hol; bij Kiliaen: Bol, tumidus, turgidus, fungosus, spongiosus, cavernosus, fistulosus, multicavus, palustris."

   Ook het woord bol voor brood en de bolle wangen, die vroeger allerminst voor een teken van gezondheid golden, schijnen hiermee samen te hangen.

   De opmerking in deel III, 1, blz. 299 onder bolder, doet de deur dicht: "Bol en bolder kunnen oorspronkelijk algemene benamingen voor: kaf zijn geweest (verg. Bolster), die later bepaaldelijk toegepast zijn op de zaden, welke van dat kaf het voornaamste bestanddeel uitmaken, en vervolgens op de plant zelve.

   Doch de betrekking tussen bol, bolder en bolderik is nog niet volkomen helder."

   Hier meen ik nu aangetoond te  hebben dat bol oorspronkelijk onkruid of kaf betekent en dat roebol, bolderik en witbol van het woord in deze betekenis zijn afgeleid.

   Over het eerstgenoemde onkruid [roebol, Equisetum arvense] raakt de boer blijkbaar niet uitgepraat en men heeft er een legioen scheldwoorden voor.

   In Deventer zegt men: Knop-aover-drie-dagen-stao'k-weer-op, zinspelend op het gemakkelijk afbreken van de stengels bij pogingen om het uit te roeien.

   Koevergif zegt men in Friesland.

   Verder: heermoes, wat als herde-moos, d.w.z. in kudden groeiend mos verklaard wordt, kwadenaard of kwadernaat, malgoed, naaldekoker, lidruske, enz.

   Fraai is de naam unjer, die voor Noord-Overijssel, de Graafschap, West-Friesland, Waterland en Kennemerland wordt opgegeven.

   In Duitsland sluit daarbij aan Unger in Munsterland, Unnet in Oost-Friesland en onnait of onneet in Groningen.

   Ook unnder, door Heukels voor Texel opgegeven, zou ik hierbij willen rekenen.

   Het etymologisch woordenboek van Vercouillie omschrijft eunjer of unjer als spook en brengt het tot het Duitse Ungar, d.w.z. Hongaar, terug.

   Volgens Kiliaen is het werkwoord ungheren Hollands en betekent toveren, waarbij hij het woord ungherhoere = heks, duivelse vrouw en unghers-eyeren, duivelseieren, de bekende stinkzwam (Phallus impudicus) citeert.

   Een krasser term voor deze akkerpest, zoals hij in Overijssel wel heet, is wel moeilijk te bedenken.

Onkruiden hebben vele scheldwoorden

   Het is typisch dat men de grootste rijkdom aan volksnamen altijd bij die plantensoorten vindt, die voor de boer schadelijk zijn.

   Elk volk put zich altijd uit in het bedenken van scheldwoorden en als men eenmaal begint te schelden, komen er de gekste, antieke of dialectische uitdrukkingen voor de dag.

   Hetzelfde geldt aan de andere kant ook voor troetelnamen.

   Ook daar vervalt men graag in atavistische woorden en klanken en zegt snoetje i.p.v. snuit of kukentje i.p.v. kuiken en laat de onbegrijpelijkste namen schilderen op landhuisjes of wat daarvoor wil doorgaan.

   Ik las eens in een krant onder het opschrift "De taal der emotie" een anecdote over een machinefabrikant die in het dagelijks leven steeds Hollands sprak, algemeen-beschaafd zo u wilt, maar toen een nieuwe machine van 1000 paardenkracht proefstoomde en het dééd, opgewonden uitriep: "Hie löp, de doezend Péka!"

   Zo ook met plantennamen. Maar de haat maakt de tong en de fantasie eerder los dan de bewondering.

   Van één onzer mooiste planten, de veldsalie (Salvia pratensis), is geen enkele naam opgetekend, maar het ergste onkruid heeft de grootste sortering.

Bron:

  • H. Uittien, "De volksnamen van onze planten", Zutphen 1946, blz. 17-23.

^Naar het begin van deze pagina

Aardigheden over planten
Overzicht
Hedendaags
  Het samenstellen van je eigen kruidenthee
  Wat is kruidengeneeskunde?
  Lijst van kruiden(middelen) positief beoordeeld door Commissie E
  Commissie E
  Sint-Janskruid en de pil
  De plant van Fred
  Kruiden in de keuken
  Enkele basisoliën
  Oliehoudende planten
  Bomen
    Bomen, een onderwerp apart
    Ginkgo
  Planten, informatie & wetenswaardigheden
    Vroeger
    Een oud-Romeinse boerenpesto
    Contraceptief in de oudheid: Duivelsnaaigaren
    Theriak (Theriacum)
    Wat waren de Kano-planten?
    Nu
    Signatuur van planten
    Signatuur van planten, uitgebreid met astrologie
    Toverplanten
    Over de plant als klok, een bloemenklok en Linnaeus
    Welke bloem of plant hoort bij vandaag?
    Geneeskrachtige planten op postzegels
    Cultuurgewassen, waar komen zij vandaan?
    Hennep is nog geen cannabis, maar wel een wonderplant
    Schrijvers en kruiden
    Klaprozendag of Poppy Day
    Monstransboon
    Paddenstoelen
    Regelmaat in het plantenrijk
    Dipsacus fullonum - Kaardebol
    Riet, typisch Nederlands, toch verrassend
  Bijzondere toepassingen
    Verfplanten
    Heggenleggen
    Papier van planten
    Toepassingen van planten
    Energiehagen rond tuinbouwgebieden
    Biobrandstoffen: biodiesel en koolzaadolie
  Medicinale toepassingen
    EHBO-Kruiden Top Tien
    Bijzondere kruidenthee (Canadian Essence)
    Maretak en kanker
    Medicinaal gebruik van kruiden, kort
    Antiviraal en daardoor ook tegen griep
    Zonnebloemoliekuur
  Kruiden(leer)
    Oude kruidenboeken online, overzicht, Alfabetisch auteurs
    Introductie
    Historische achtergronden
    Vroegste Oudheid
    Griekenland en Rome
    Middeleeuwen
  Bloeitijd van het kruidenboek
    11e eeuw tot 1475: Von Bingen - Anglicus
    1475 - 1539: Von Megenberg - Bock
    1542 - 1555: Fuchs - Lonicerus
    1554: Dodoens / Dodonaeus' Cruijdeboeck
    1571 - 1597: Lobelius - Gerard
    1601 - 1741: Clusius - Rumphius
    Latijn: Agricola - Tournefort
Taal en namen
  Volksnamen van planten: Uittien
    Namen en dingen
    Vergeten woorden
    Verbasteringen en volksetymologieën
    Goden en godinnen
    Spanjaarden en Turken
    Grappige namen
    Beenbreek en heelbeen
    Wonden en zweren
    Namen en legenden
    Mannetjes en wijfjes
    Angelsaksen en Nedersaksen
    Wedewinde en beerbinde
    Raadsels
    Taal en planten
    Nieuws over volksnamen van planten
    Volksnamen van planten (Vlaams)
    Plantennamen in de Nederlandse Dialecten (PLAND)
 
Woordenboek Nederlandsche Taal
Plantago PlantIndex
Letter: druk op CTRL, draai ook aan muiswiel