Beginpagina van Plantaardigheden.nl

 

 

Actuele toepassingen van planten
Sitemap
Index

Plantaardigheden.nl
Artikelen over planten

Leesmaar.nl
Dodoens en andere bijzondere boeken

Leeswerk.nl
Plantenboeken opengelegd

De volksnamen van onze planten (Uittien)

Namen en legenden

   Er zijn veel legenden omtrent plaatsen of personen, die enkel bedacht zijn om een naam te verklaren. Omgekeerd wordt onder invloed van zo'n legende dan de naam weer wat bijgevijld.

   Ook bij de plantennamen heeft men er voorbeelden van.

1. De Bijvoet

   De naam bijvoet voor Artemisia vulgaris is er daar één van.

   De plant heette oorspronkelijk bibot en de betekenis is niet helemaal opgehelderd, maar er is bivot en bijvoet van gemaakt om tegemoet te komen aan een door Plinius verhaalde legende, dat een reiziger geen vermoeidheid zal voelen, als hij een takje van Artemisia in zijn schoenen legt.

   Bibot in de schoenen? O, zo, dan zal de naam dus wel bij-voet, d.w.z. bij-de-voet moeten zijn. Aldus de redenering.

Bibot, oudste volksnaam

   Dat woord bibot is, tussen twee haakjes, naar mijn mening de oudste in de literatuur vastgelegde volksnaam van een Nederlandse plant.

   Plinius doet namelijk in hoofdstuk 3 van boek 25 van zijn beruchte "Historia Naturalis" een gek verhaal over een ziekte in Nederland door het drinken van verkeerd water, waartegen de "Friezen" als geneesmiddel een plant gebruiken, die ze Britannica of vibones noemen.

   Die ziekte is kennelijk de scorbuut of scheurbuik.

   Over de plant bestaan vele hypothesen. Prof. Abraham Munting uit Groningen heeft zelfs een lijvig boek geschreven ("De vera antiquorum herba Britannica") om te bewijzen dat er waterzuring (Rumex hydrolapathum) mee bedoeld is. Een ander kwam met de theorie dat er een soort Inula mee bedoeld is, die daarom door Linnaeus Inula britannica, de Engelse alant, gedoopt is.

   Op folkloristische gronden meen ik bewezen te hebben dat deze geheimzinnige plant, die volgens Plinius geplukt moet worden vóór de eerste donder gehoord wordt (dat is in de folklore St. Jan, 24 juni), onze bijvoet is, die van ouds een grote rol speelde bij de zonnewenderitus, St.-Jansgebruiken en tegenwoordig bij kruidenwijding op Maria Hemelvaart.

   Het woord vibones van Plinius zou dan bibot moeten voorstellen.

   Belangstellenden in de folklore worden verwezen naar mijn artikelen hierover in "Eigen Volk": Zonderlinge plantennamen, het raadsel van Plinius (jaargang 11, 1939) en: De oplossing van het raadsel van Plinius (jaargang 1, 1940).

2. De Gelderse roos

   Een geval van naam en legende die elkaar beïnvloeden heeft men ook bij de Gelderse roos en de wapenbloem van de graven van Gelre. In "Eigen Volk", VIII, 1936, blz. 145 en 270-273, schreef ik o.a.:

Wanneer een chauvinistisch Geldersman zich trots voelt, omdat de mooiste heester die er in ons land in het wild groeit, namelijk Viburnum opulus, naar zijn vaderland genoemd is, dan heeft hij ongelijk, want de naam Gelderse roos is door pure vergissing aan de wilde plant gegeven en komt bij rechte van historie alleen toe aan de gekweekte vorm, die meestal sneeuwbal genoemd wordt en zich door drie opvallende kenmerken onderscheidt: de vormloze, bolronde bloeiwijzen (in plaats van een krans van witte lokbloemen om de ware, kleine en groene bloemen heen), het gemis aan meeldraden, stampers en vruchten en het feit dat hij gewoonlijk door luizen wordt opgegeten.

Er is al heel weinig aanleiding toe om trots te zijn op dit misbaksel van tuinbouwkunst, want een zogenaamde gevulde, d.w.z. harteloze Dahlia is er mooi bij vergeleken.

Watervlier

   De wilde soort (Viburnum opulus) behoorde eigenlijk watervlier te heten, zoals hij in het "Kruydtboek" van Lobel (1581) genoemd wordt en heden ten dage nog wel in Vlaanderen of aan de Veluwezoom.

   Er zijn nog wel andere min of meer gangbare namen voor, zoals pinholt in de Achterhoek, vanwege het feit dat men vroeger schoenpinnen maakte van het hout of spinrokkenhout of wilde vlier, namen die beide in Vlaanderen voorkomen.

   De naam bokkestinkers, in Zundert opgetekend, vind ik te onvriendelijk.

Schwelken, Swelckenhout

   De plant schijnt het eerst door Hieronymus Bock beschreven te zijn. In een latere uitgave (1566) van zijn "Kreüterbuch" zegt hij (deel III, hoofdstuk 25) dat als deze boom, die hij Schwelken noemt en om zijn overeenkomst met de vlier Bachholder (beekvlier) zou willen noemen, met zijn rode besjes aan Theophrastus en Dioscorides even goed bekend was geweest, als hij dat aan de hazelhoenders in het bos is, hij er misschien iets nuttigs van zou kunnen vertellen, maar dat hij daarvan af moet zien, nu hij dit gewas alleen in heggen en aan slootkanten en niet in de oude boeken weet te vinden.

   De naam Schwelken werd door Dodoens met swelckenhout vertaald of in het Latijn Sambucus palustris (moerasvlier). De naam Sambucus aquatica (watervlier) heeft het nog lang in de botanische literatuur uitgehouden.

   De overeenkomst met de vlier is inderdaad groot. Beide soorten worden tot de kamperfoelieachtigen gerekend.

Guelder Rose

   Lobel schijnt de eerste geweest te zijn die (in 1581) naast swelckenhout of watervlier een tuinvorm beschreef als Gheldersche Roose.

"De Gheldersche Roose-boom is lustigher om sien, ende min ghevonden inde heete landen, de welcke van de Herbaristen inde hoven van Nederlandt onderhouden worde.

Dese is van bladers, struyck, ende alle ghedaente den voorgaenden ghelijck, dan dat de bloeme dobbel is ende schoone, gelijk een witte Roose."

   Van beide vormen geeft hij een afbeelding, maar het opschrift Geldersche Roose staat wat hoger dan de namen Swelckenhout en (Sambucus) aquatica, zodat hier misschien al het begin van de latere vergissing te vinden is.

   Het kruidboek van de Engelsman John Gerard ("Gerard's Herball"), dat geheel op de Nederlandse kruidboeken berust, geeft in 1597 een betere afbeelding en neemt daarbij het woord Geldersche Roose letterlijk over.

   Zo is ook in Engeland de naam Guelder rose ingeburgerd.

Gekweekte plant beter bekend dan de wilde soort

   Waarschijnlijk raakte al gauw de gekweekte plant beter bekend dan de wilde, die een wijdverspreide volksnaam miste.

   Zo alleen kan ik me verklaren dat zowel in Engeland als in Nederland de namen sneeuwbal en Gelderse roos al spoedig op de wilde soort, die niets op een sneeuwbal lijkt, zijn overgeslagen. In ons land is deze vergissing officieel aanvaard.

   De Nederlandse Natuurhistorische Vereniging benoemde namelijk in 1902 een commissie om de volksnamen van de planten te verzamelen en eenheid in het gebruik van de namen te brengen.

   De namen, die uit de verzamelde gegevens gekozen werden, zijn in 1906 in een lijst gepubliceerd, terwijl in het daaropvolgende jaar een woordenboek van de volksnamen werd uitgegeven, samengesteld en met Middelnederlandse en Vlaamse namen uitgebreid door de secretaris van de commissie, H. Heukels.

   Zo zijn we aan de zonderlinge naam Gelderse roos gekomen voor een heester die niet alleen in vrijwel geheel Europa, maar bovendien in een groot deel van Azië en Noord-Amerika inheems is.

   Dit is alles heel gewoon en nuchter.

Een verhaal van F.W. van Eeden in "Onkruid"

   Er bestaat echter ook een andere, veel romantischer verklaring van deze naam. Ze blijkt ontsprongen te zijn aan het brein van baron Sloet, de chauvinistische Geldersman, wiens bestaan ik hierboven al noemde.

   Hoe ver deze romantische verklaring zich op het ogenblik al heeft ontwikkeld tot een legende in één van de vele bundels sagen die tegenwoordig verschijnen, weet ik niet, maar alle kiemen daarvoor zijn al aanwezig in de volgende passage, ontleend aan deel II, blz. 111-112 van "Onkruid", het nog steeds lezenswaardige boek met beschrijvingen van botanische wandelingen door F.W. van Eeden.

   Laten we dus trachten deze bekoorlijke legende in de wieg al de nek om te draaien en het lijk verder aan schrijvers van Gelderse sagen overlaten, om het te balsemen en op te dirken.

   Het woord is aan F.W. van Eeden:

"In zulke bosmoerassen huisde, volgens de sage, eenmaal de vreselijke draak, die door Wichard van Pont werd verslagen, en stervende met geweldig geluid de kreten "Gelre! Gelre!" deed horen. Met die sage begint in de nevelen der middeleeuwen de historie van Gelderland.

Ter nagedachtenis aan zijn overwinning nam Wichard van Pont een bloem, die daar bloeide in het bos, en plaatste die op zijn schild. En nog heden heet die bloem door de hele wereld de Gelderse Roos.

De Gelderse Roos, ook wel watervlier genoemd, is in de moerassige streken van Europa algemeen. Haar naam Rose de Gueldre, Guelder rose, is dus zeer merkwaardig en dagtekent ongetwijfeld uit de riddertijden, toen de Hertogen van Gelderland in groot aanzien stonden bij de vorsten der omringende landen.

De vijflobbige, onvruchtbare randbloemen der bijschermen, die door haar grootte en helderwitte kleur zeer in het oog vallen, hebben ongetwijfeld gediend tot model voor de heraldische bloem, die in het oudste wapen van Gelderland prijkte."

   [Noot van de auteur: Deze voor de heraldische botanie zeer belangrijke bijzonderheid is eerst aan het licht gebracht door Mr. L.A.J.W. baron Sloet, in de verslagen der Kon. Ak. V.Wetensch., afd. Letterk. 2e reeks, VI, 201.]

   Tot zover Van Eeden. De twee zwakste plekken in zijn betoog, die dan ook inderdaad rot zijn gebleven, heeft hij, zoals bij een pleidooi gebruikelijk is, trachten te maskeren door er het woordje 'ongetwijfeld' bij te gebruiken.

Sloet onder de loep

   Om mijn eigen afleiding van de naam te verdedigen tegen deze sage en ook om de lezers met heraldieke neigingen van plantkundige kant van de staar te lichten, dien ik het stuk van Sloet, dat zes bladzijden beslaat in de akademieverslagen van 1877 nader te bekijken.

   Ik zal het sterk verkort weergeven:

De oude graven van Gelre en Zutphen voerden als teken op schild en banier een bloem met vijf bladen.

Dit teken is op enkele zegels aan oorkonden van omstreeks 1200 gevonden, maar kort daarna veranderde Otto II de bloem in een leeuw.

De bloem is echter in allerlei gemeentewapens bewaard gebleven, zoals die van Gelder, Lochem, Goch, Bommel, enz.

Van welke boom of struik waren deze bloemen? De oudste en beste kroniekschrijver van Gelderland, Wilhelm van Berchen ("De nobili principatu Gelriae", blz. 20) zegt: "Interea sciendum est, quod florem esculinum in prato flaveo deferre consueverunt", d.w.z.: Intussen dient men te weten dat de bovengenoemde graven vanouds in hun wapen een gouden bloem van esculus op een geel vel droegen.

Bij Aquilius lezen wij, na de vermelding hoe Wichard de draak verslagen had: "Insignia habuit tres flores esculinos in aureo clypeo ad memoriam bestiae sub esculino interfectae" ("Chronicon Gelriae", uitg. van Scriverius, blz. 6), wat wil zeggen: Als wapen had hij drie bloemen van esculus op een gouden schild ter herinnering aan het ondier dat hij onder een esculus-boom had afgemaakt.

Esculus

   Wat moet onder esculus verstaan worden?

   Zeker niet de paardekastanje, die sinds Linnaeus Aesculus moet heten. Die is pas tegen het einde van de zestiende eeuw via Constantinopel en Wenen in West-Europa ingevoerd en heette toen ook nog niet zo.

   Evenmin de plant die bij de klassieke Romeinen aesculus heette. Dat was een soort van eik. [Sloet:]

"Doch dit zal wel zeker zijn, dat, wanneer Van Berchen een eik bedoeld had, hij quercus geschreven zou hebben. Doch dat kon hij niet doen.

Behalve toch dat de bloemen van de eik geen de minste overeenkomst hebben met die, welke in het wapen der Gelderse vorsten voorkomen, zijn ze zo klein, dat duizenden de statige boom bewonderen zonder ooit de bloemen gezien te hebben.

In de Chronycke van Holland, Zeelant, ende Vrieslant wordt aesculus vertaald door mispel.

Scriverius tekende dit aan bij zijne uitgaaf van Aquilius, Pontanus schreef flores esculini aut mespuli; Bondam, van Spaen en anderen twijfelden niet dat de bloemen die van de mispel waren, en waarschijnlijk is dit ook het geval met diegenen onder u, die zich met de geschiedenis van Gelderland of wapenkunde onledig hebben gehouden.

En toch geloof ik dat hier dwaling bestaat. Waarschijnlijk verlegen met het woord aesculus, hebben de verzamelaars van de aangehaalde Cronyck, afgaande op de gelijkvormigheid van de mispelbloem met die in het wapen daarin aanleiding gevonden het woord met mispel te vertalen.

Doch deze gelijkvormigheid hebben ook de bloemen van de wilde roos, van de appel en de peer, van de lijsterbes en de meidoorn. Zij zijn alle vijfbladig.

De gewassen die ze voortbrengen zijn in het oude land van Gelre inheems, wat met de mispel waarschijnlijk het geval niet geweest zal zijn."

Bloem van Gelre

   Van Berchen kan, meen ik, de dwaling wegnemen. Op de aangehaalde plaats laat hij volgen [Latijn]: "Inde in hodiernum diem (esculus) Gelrie flos denominata existit."

   Dit laatste zinnetje vertaalt Sloet blijkbaar stilzwijgend met: Vandaar dat de aesculus tot op de huidige dag Gelderse Roos is blijven heten.

   Die vertaling is enigszins willekeurig. Het woord esculus komt niet in de tekst van het handschrift voor, zoals blijkt uit de uitgave van deze kroniek van Wilhelm van Berchen, de pastoor van Niel in de Duffel (even over de grens ten oosten van Nijmegen), die in 1870 door deze zelfde baron Sloet naar het Nijmeegse handschrift is uitgegeven.

   Deze eerste geschiedschrijver van Gelderland bedoelde met dit, waarschijnlijk omstreeks 1466 neergeschreven, zinnetje niets meer dan: sindsdien bestaat er een zogenaamde Bloem van Gelre; of: sindsdien heet de mispel de wapenbloem van Gelre.

   Zonder verdere bewijsvoering gaat namelijk de schrijver voort. [Sloet]

"Wij allen kennen de sneeuwbal. doch bij Dodonaeus komt nog een andere naam voor, die bij ons nog gangbaar is, die van Gelderse roos. En die naam is ver buiten de palen van Gelderland verspreid.

Hoe komt het dat een gewas in die drie grote rijken wild groeiend en dat zich, zoals ik door eigen aanschouwing weet, in Duitsland zeer sterk ontwikkelt, de naam kreeg van een klein landje?

Aan een antwoord waag ik mij niet. Ik meen dat de vorsten van dat landje in hoger aanzien stonden, dan gemeenlijk aangenomen wordt; doch ik mag niet aannemen dat de oude graven van Gelre en Zutphen hun schild en banier zodanig door het grootste deel van Europa gedragen hebben, dat de naam van de bloemen er op in de taal van het volk van zo'n uitgestrekt gebied gedrongen is.

Doch dit neem ik wel aan, dat deze bloemen niet waren die van een mispel, die plaats moeten maken voor de Gelderse roos."

   Hier eindigt het pleidooi van Sloet, dat hierop neerkomt, dat esculus en het daarvan afgeleide bijvoeglijk naamwoord esculinus niet mispel kan beteken, omdat de mispel hier niet thuis hoort.

   Dat men Gelriae flos niet maar zo met Gelderse Roos mag vertalen, heb ik boven al even gezegd.

   Dat de afbeelding weinig meer op een mispel lijkt dan op elke andere vijftallige bloem, is natuurlijk geen argument. Heraldische fuguren zijn nu eenmaal niet als leermiddel voor het onderwijs in de natuurlijke historie bedoeld.

   Het exotische heeft vanouds een bijzondere bekoring uitgeoefend op lieden die wapens verzinnen.

   Volgens onze Willem van Berchen of Berchem heeft Otto III de botanie in de steek gelaten en zich een leeuw aangemeten, omdat hij van de graven van Nassau afstamde.

   Waren de leeuwen soms inheems in zijn gebied? Zeker niet! Eerder nog de draken, waar in die streken door Jan en alleman jacht op werd gemaakt. Denk aan Siegfried, St. Joris en Wichardus en Lupoldus van Pont.

   Bij feestelijke gelegenheden, zoals kermissen en schuttersfeesten, gebeurt dat trouwens ook nu nog jaarlijks; de plaatjes staan ervan in de krant.

   Nee, wanneer Henricus Aquilius van Arnhem ons in zijn Gelderse kroniek, die ik alleen ken uit de uitgave van Petrus Scriverius

"in Batavia illustrata" van 1609, verzekert dat er in oeroude tijden in Gelder een draak huisde onder een esculus-boom ("immane quoddam et venenosum animal illisque locis invisum sub esculo arbore dilituisse, mirae magnitudinis et inauditae atrocitatis") en dat Wichard daarom drie "flores esculeos" tot wapen koos ter herinnering aan dit ondier onder de esculus-boom, dan ben ik het volkomen met Scriverius eens dat die draak misschien niet zo heel echt bestaan heeft, maar dat men met de andere kroniekschrijvers het woord esculus met mispel moet vertalen."

Esculus is Mespilus?

   De vraag waar het om gaat is niet of die boom en die draak er geweest zijn, maar enkel of men in de tijd dat Van Berchen zijn kroniek schreef, dus midden of einde vijftiende eeuw, met esculus de mispel bedoelde.

   Als hoofdgetuige heb ik hiervoor de heilige Albertus Magnus (1193-1280), die het grootste deel van zijn leven in Keulen doorbracht.

   Hij blijkt de mispel heel goed te kennen en zegt er onder andere van ("De vegetabilibus", Boek VI, hoofdstuk 133): "De mispel is een bekende boom, die ten onrechte met een andere naam Esculus wordt genoemd."

   Ook in hoofdstuk 199 heeft hij het over het hout van Esculus, die eigenlijk Mespilus moet genoemd worden. In Boek VII, hoofdstuk 89, geeft hij het op om er telkens bij te zeggen, hoe de goede naam is en gebruikt domweg het woord Esculus.

   Ook Conrad von Megenberg zegt in zijn "Buch der Natur" (omstreeks 1350): "Mespilus oder Esculus heisst ein Mispelbaum."

Mespilus en Sorbus

   De mispel (Mespilus germanica) komt uit het gebied ten oosten van de Middellandse Zee, werd in Griekenland en Italië ingevoerd en door de Romeinen in West-Europa verbreid.

   Omstreeks 800 wordt hij genoemd in het aan Karel de Grote toegeschreven reglement voor de beheerders van zijn landgoederen en in andere stukken.

   Als vruchtboom heeft de mispel in de Middeleeuwen een grote rol gespeeld. Ja, zelfs vóór die tijd moet hij tot in onze buurt bekend zijn geweest, want de Nederrijnse en platduitse naam Aapeneers, Apenierschen is meegevaren naar Engeland, waar men de naam open-aers al in de tiende eeuw kent, blijkens Aelfrics "Vocabulary".

   Ook in Denemarken heeft men een homologe naam offenosser (zie Lange, "Fynske plantenavne", 1932, blz. 85). Deze zeer kenmerkende maar hoogst onsmakelijke naam vindt men bij alle latere Engelse schrijvers terug als openers, opynhars, open-ass, enz.

   De volksraadseltjes uit Groningen (zie Ter Laans Woordenboek, blz. 823: Vief haartn, vief staartn, in 'n prik in t gat, Roa, Roa, wat ding is dat?, en: Kleef fief harte, fief starte en een penneken in t gat. Roje, roje, wat is dat?) wijzen op dezelfde gedachtenassociatie, evenals enkele Franse raadsels en sommige Zuidduitse volksnamen.

   Er is echter een naverwante boomsoort, Sorbus domestica geheten, ofte wel de elsbes of peervormige bes,die ook uit het Middellandse-Zeegebied komt, ook via Romeinen en Karel de Grote in West-Europa is gekomen en ook vruchten heeft, die pas eetbaar worden als ze lijken te rotten.

   Ook deze soort was een belangrijke ooftboom in de Middeleeuwen, alleen met dit verschil, dat hij het niet zover heeft gebracht met zijn verspreidingsgebied in noordelijke richting.

   Ze worden vaak in één adem genoemd, o.a. in de "Schola Salernitana", een medisch leerdicht, waar hele generaties aan hebben zitten rijmen alsof het de Moord van Raamsdonk gold. Deze tweede soort werd sorbus genoemd of esculus.

   Is het wonder dat men de beide soorten verwarde en ook de mispel wel eens esculus ging noemen?

   Een Engelse woordenlijst uit de vijftiende eeuw geeft als vertaling van Sorbus: opynhars-tre.

   In Frankfort heet de mispel wel Drecksack. Ober-Hessen en Nassau is dit de naam voor Sorbus domestica. Aan de Beneden-Rijn, waar men alleen maar de mispel kweekte, kon deze naamsverwisseling blijkbaar voet vatten en zo is het te verklaren, dat Albertus Magnus het tenslotte heeft opgegeven om bij elke vermelding van Esculus opnieuw te zetten: eigenlijk moesten we deze soort Mespilus noemen, want het is niet de echte Esculus.

   Zo is in deze streken de naam Esculus voor de mispel ingeburgerd.

   Ook onze Jacob van Maerlant, die omstreeks 1266 zijn "Natueren Bloeme" schreef of liever vertaalde uit het Latijnse handschrift van Thomas van Cantimpré, al meende hij zelf een werk van "broeder Alebrechte van Coelne" (Albertus Magnus van Keulen) voor zich te hebben, zegt in boek VIII, vers 327, dat de mespelaere in het Latijn esculus heet.

Slot

   We zullen de graven van Gelre dus hun mispelbloem moeten gunnen en ervan af moeten zien die te vervangen door een onvruchtbare randbloem der bijschermen van de wilde watervlier, om hen op die manier de roem van Gelderland door "de hele wereld" (F.W. van Eeden) te laten dragen en eenheid in de nomenclatuur te brengen.

   De houtsneden in de kruidboeken van Lobel en Dodonaeus lijken mij op beide doeleinden meer berekend dan de heraldieke diagrammen op schilden en banieren van ridderlijke vechtersbazen.

   In elk geval is de naam "Bloem van Gelder" of iets dergelijks nooit ingeburgerd voor de mispelbloem van het Gelderse wapen, zelfs niet meer bekend in Gelderland of wat daar eenmaal toe behoorde, terwijl de naam Gelderse Roos, enige eeuwen later aan een tuinplant gegeven, dank zij de goed geïllustreerde boeken van Nederlandse kruidkundigen, die spoedig zowel in het Engels als het Frans vertaald of bewerkt werden, in de plantkundeliteratuur van een groot deel van West-Europa heeft weten stand te houden en in onze eigen literatuur zelfs zo'n expansiekracht bleek te bezitten, dat ze de volksnamen voor de wilde soort bezig is te verdringen.

   Zo eindigt de legende van de Gelderse Roos.

Bron:

  • H. Uittien, "De volksnamen van onze planten", Zutphen 1946, blz. 53-63.

^Naar het begin van deze pagina

Aardigheden over planten
Overzicht
Hedendaags
  Het samenstellen van je eigen kruidenthee
  Wat is kruidengeneeskunde?
  Lijst van kruiden(middelen) positief beoordeeld door Commissie E
  Commissie E
  Sint-Janskruid en de pil
  De plant van Fred
  Kruiden in de keuken
  Enkele basisoliën
  Oliehoudende planten
  Bomen
    Bomen, een onderwerp apart
    Ginkgo
  Planten, informatie & wetenswaardigheden
    Vroeger
    Een oud-Romeinse boerenpesto
    Contraceptief in de oudheid: Duivelsnaaigaren
    Theriak (Theriacum)
    Wat waren de Kano-planten?
    Nu
    Signatuur van planten
    Signatuur van planten, uitgebreid met astrologie
    Toverplanten
    Over de plant als klok, een bloemenklok en Linnaeus
    Welke bloem of plant hoort bij vandaag?
    Geneeskrachtige planten op postzegels
    Cultuurgewassen, waar komen zij vandaan?
    Hennep is nog geen cannabis, maar wel een wonderplant
    Schrijvers en kruiden
    Klaprozendag of Poppy Day
    Monstransboon
    Paddenstoelen
    Regelmaat in het plantenrijk
    Dipsacus fullonum - Kaardebol
    Riet, typisch Nederlands, toch verrassend
  Bijzondere toepassingen
    Verfplanten
    Heggenleggen
    Papier van planten
    Toepassingen van planten
    Energiehagen rond tuinbouwgebieden
    Biobrandstoffen: biodiesel en koolzaadolie
  Medicinale toepassingen
    EHBO-Kruiden Top Tien
    Bijzondere kruidenthee (Canadian Essence)
    Maretak en kanker
    Medicinaal gebruik van kruiden, kort
    Antiviraal en daardoor ook tegen griep
    Zonnebloemoliekuur
  Kruiden(leer)
    Oude kruidenboeken online, overzicht, Alfabetisch auteurs
    Introductie
    Historische achtergronden
    Vroegste Oudheid
    Griekenland en Rome
    Middeleeuwen
  Bloeitijd van het kruidenboek
    11e eeuw tot 1475: Von Bingen - Anglicus
    1475 - 1539: Von Megenberg - Bock
    1542 - 1555: Fuchs - Lonicerus
    1554: Dodoens / Dodonaeus' Cruijdeboeck
    1571 - 1597: Lobelius - Gerard
    1601 - 1741: Clusius - Rumphius
    Latijn: Agricola - Tournefort
Taal en namen
  Volksnamen van planten: Uittien
    Namen en dingen
    Vergeten woorden
    Verbasteringen en volksetymologieën
    Goden en godinnen
    Spanjaarden en Turken
    Grappige namen
    Beenbreek en heelbeen
    Wonden en zweren
    Namen en legenden
    Mannetjes en wijfjes
    Angelsaksen en Nedersaksen
    Wedewinde en beerbinde
    Raadsels
    Taal en planten
    Nieuws over volksnamen van planten
    Volksnamen van planten (Vlaams)
    Plantennamen in de Nederlandse Dialecten (PLAND)
 
Woordenboek Nederlandsche Taal
Plantago PlantIndex
Letter: druk op CTRL, draai ook aan muiswiel