Beginpagina van Plantaardigheden.nl

 

 

Actuele toepassingen van planten
Sitemap
Index

Plantaardigheden.nl
Artikelen over planten

Leesmaar.nl
Dodoens en andere bijzondere boeken

Leeswerk.nl
Plantenboeken opengelegd

Over de wilde cichorei (Cichorium intybus)

3. Fenomenologie

Een korte karakteristiek van de fenomenologie is te vinden op http://www.antroposofie.nl/:
Een speciale vorm van wetenschappelijk onderzoek vormt de goetheanistisch-fenomenologische methode. Fenomenologie is waarnemen zonder te oordelen, door het waargenomene voor zichzelf te laten spreken. Deze methode berust op het werk van Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) en is nader uitgewerkt door Rudolf Steiner.

Goethe ontwikkelde de fenomenologie aan waarnemingen in de natuur, met name via plantenstudies. Zijn onderzoekingen leidden tot de ontdekking van de 'oerplant', de gebarentaal of 'gestiek' die aan de groei en ontwikkeling van planten ten grondslag ligt. In zijn navolging tracht men de verschijnselen in mens en natuur in hun samenhang te begrijpen als uitdrukking van krachten van geestelijke aard.

Kenschets van een composiet

  • Afbeelding 1. Kunstzinnige impressie van een composiet als type (tekening Walter Roggenkamp).

Een composiet onderscheidt zich door zijn zeer plastische, veelal niet tot verharding komende (kruidachtig blijvende), op zeer verschillende manier in verschijning tredende aard. Hij heeft een speciale verbinding met het kosmische (licht en warmte) en heeft over het algemeeneen (maar er zijn uitzonderingen) een hekel aan donkere, al te vochtige groeiplaatsen, waar vormkrachten gemakkelijk kunnen woekeren. Door zijn oergezonde vitaliteit (zijn vormkrachten of etherkrachten) gedijt hij vrijwel overal op aarde in de gematigde zone en in de subtropen - alleen in de gebieden nabij de polen en in het tropische oerwoud komt hij niet graag - als er maar voldoende gelegenheid is zich voor de kosmos te openen. De kosmische omgeving (astrale sfeer) heeft een krachtige inwerking en zorgt voor een bijzonder intensief bloeiproces; het astrale element grijpt echter zelden zo diep in de etherkrachten in - erbiedigt ze als het ware - dat er gifplanten ontstaan (een van de weinige uitzonderingen is de gifsla, Lactuca virosa). Deze milde astraliteit onderscheidt zich verder door zeer lichte, heldere bloemkleuren en bescheiden, droog-zoete, nooit agressieve of hartstochtelijk-vluchtige, maar altijd ingehouden geuren. Een hoger, vormscheppend principe doorstraalt deze astraliteit, die zich er niet tevreden mee lijkt te stellen de bloem - het orgaan waarin het wezenlijke van de plant zich het duidelijkst naar buiten toe, in de uiterlijk waarneembare wereld, in vorm, kleur, aroma manifesteert - alleen maar als een uitdrukking van hoogste kunst en volmaaktheid te presenteren, zoals het geval is bij de orchideeën. Het gaat veeleer om het geheel van alle bloemen, ze zijn ondergeschikt geworden aan een hogere wet en groeperen zich in de voor een composiet kenmerkende bloeiwijze van het hoofdje (vgl. het hoofdstukje over de botanie). De orchideeënbloem is de enkele bloem ten top, het composieten-hoofdje is een 'bloem in het kwadraat'; de orchideeënbloem is als het ware de eerste, het hoofdje van een composiet de tweede 'potentie'. De bloemen van de orchideeën vertonen een onuitputtelijke, haast bandeloze vormenrijkdom, de bloeiwijze van de composieten vertoont een grote mate van beheerstheid en vormbewustzijn. Aldus een korte parafrase van Wilhelm Pelikan, "Heilpflanzenkunde" I, blz. 243-247.

De wilde cichorei fenomenologisch bekeken (in vergelijking met de paardenbloem)

Blad

Er bestaat een groot aantal planten die een wortelrozet met paardenbloemachtige bladeren vormen. In het jeugdstadium zijn deze vrijwel niet uit elkaar te houden. Pas later worden de bladeren wat soortspecifieker, maar een juiste determinatie wordt toch vaak bemoeilijkt door de enorme verscheidenheid en vormenrijkdom van de bladeren. Voor de overzichtelijkheid volgt hier eerst een schematisch overzicht van de cyclische werking van de vormkrachten (etherkrachten) in de plant, in de beschrijving wordt hiernaar verwezen.

Schema. De cyclische werking van de etherkrachten in de plant. Zaad, bladknop, bloemknop en meeldraden/stamper zijn samentrekkingsfasen; kiemplant, bladschijf, bloem en vrucht zijn uitbreidingsfasen.

plantenorgaan vormprincipe etherkracht elementenwezen element proces
↑ zaad (punt)        
vrucht          
↑ meeldraden, stamper         HERFST
           
bloem omhullen
(bolvorm)
warmte-ether vuurgeesten vuur
(warmte)
vernieuwen
↑ bloemknop         ZOMER
           
spitse bladen toespitsen
(pijlvorm)
lichtether elfen licht verbinden
samengestelde,
geveerde bladen
insnijden
(ritmische geleding)
luchtether elfen lucht verbinden
bladschijf
(bladsteel, nervatuur)
spreiden chemische ether nimfen water oplossen
↑ bladknop         LENTE
           
kiemplant
(wortel, spruit)
strekken levensether gnomen aarde verdichten
↑ zaad omhullen
(punt)
      WINTER

Cichoreibladeren onderscheiden zich vaak van het blad van een paardenbloem door een breder eindgedeelte. Cichoreibladeren zijn ook meestal steviger en enigszins behaard, terwijl paardenbloembladeren kaal en zacht blijven. Deze subtiele verschillen duiden al op de richting waarin de verdere ontwikkeling van de bladeren zal verlopen. Maar in hoofdlijnen lijkt de metamorfose in de rozet bij beide planten, afgaande op het 'gebaar' dat ze maken, sterk op elkaar (afbeeldingen 2 en 3 ).

  • Afbeelding 2. Bladmetamorfosereeks van een cichoreiplant (keuze uit de bladeren van de hoofdstengel van kiemplant tot de bloei, over een periode van twee jaar). Elke curve vertegenwoordigt één groeiseizoen, beginnend in de lente. Bron: J. Bockemühl, "Wegwarte und Löwenzahn".
  • Afbeelding 3. Bladmetamorfosereeks van een gewone paardenbloem (keuze uit de rozetbladeren van kiemplant tot de bloei, over een periode van twee jaar). De bladen na de bloeisteel zijn afkomstig van een zijscheut.

Al bij de eerste bladeren volgt de uitbreidingsfase, op zijn minst in een smalle zoom, de bladsteel tot de voet. Naar buiten toe is een uitspreidende, rondende beweging waar te nemen. Deze uitbreiding van het bladoppervlak (het 'spreidende ' element; water) en het strekken van de steel (het 'stelende' element; aarde) gaan hier hand in hand. Zowel bij de cichorei als bij de paardenbloem begint de insnijdingsfase met fijne tandjes aan de rand van het blad. Die geleding wordt steeds duidelijker en verbindt zich al spoedig met het uitstralen van de tanden, hetgeen bij planten gewoonlijk pas in een later stadium van de bladmetamorfose plaatsvindt (wanneer de bladeren onder invloed van het luchtelement ritmisch geleed worden en onder invloed van het warmte-element spits worden). Daardoor ontstaan er geen geveerde blaadjes, maar de karakteristieke haakvormige bladslippen, die aan de basis tot de middennerf doordringen. Ook al blijft er aan de top van de bladslip een duidelijke punt zichtbaar, de uitbreiding is het sprekendst aan de periferie van het blad. Dit spreidende element gaat meestal gelijk op met het toenemen van de omvang van de bladslippen en openbaart zich vaak in nog meer tanden. Daardoor maken de slippen bij de wat meer in de breedte groeiende bladeren uit de eerste helft van de groei (vegetatieve fase) de indruk meer naar de bladvoet gericht te zijn. Men noemt dit ook wel: schaafsgewijs ingesneden. Tegen de herfst worden de bladeren smaller, schaarser, de afzonderlijke slippen zelfstandiger en het spreiden komt meer haaks op de hoofdnerf te staan.

Wortel

Het gebaar dat de wortel maakt, is aardezoekend. De specifieke manier waarop de wortel de aarde binnendringt, zich vertakt en zich verbindt met de mineralen in bodem, laat ons zien, hoe datgene wat uit de omgeving wordt opgenomen vanuit de plant bezien in de omringende bodem werkzaam wordt. Hierbij dient men twee zaken goed voor ogen te houden. Enerzijds is er de verticaal neerwaartse richting van de wortel, een doelgericht streven naar de diepte, dat op het middelpunt van de aarde is gericht; anderzijds is er het weinig doelgerichte van de vertakkingen van de hoofdwortel, die meer gericht zijn op afzonderlijke bodemdeeltjes, meer 'gespitst' op het aftasten van het bodemmilieu en als het ware het gebaar maken een deel van de aarde te omsluiten.

Cichorei en paardenbloem zijn zo georganiseerd, dat er een zeer intensieve beweging de diepte in plaatsvindt. De planten zijn het rozetstadium (eerste jaar van ontwikkeling) kennelijk buitengewoon goed gedisponeerd om alles wat hun uit de kosmos toestraalt, op te nemen. Deze werking drijft de wortel loodrecht de grond in en maakt hem gevoelig voor de richting van de zwaartekracht. De penwortel van de cichorei is in dit opzicht doelgerichter, rechter, en duwt de fijnere wortelvertakkingen verder voorwaarts dan die van de paardenbloem (afbeelding 4). Indien de primaire wortel tegenstand ondervindt, ontstaan er secundaire, ook relatief verdikte wortels, die eerst in zijwaartse richting groeien en daarna ook de diepte ingaan.

  • Afbeelding 4. De groei van een paardenbloem (a) en een cichoreiplant (b) gedurende het eerste jaar.
  • Afbeelding 5. Beeld van het wortelstelsel van een paardenbloem, ongeveer ten tijde van de bloei (waargenomen in een bak van 80 x 120 cm).
  • Afbeelding 6. Beeld van het wortelstelsel van een volgroeide cichoreiplant ongeveer ten tijde van de bloei (waargenomen in een bak van 80 x 120 cm).

Bij de cichorei kunnen de secundaire penwortels (afbeelding 6) dichtbij het aardoppervlak aanvankelijk aanzienlijk in de breedte groeien voordat zij naar beneden gaan. De secundaire penwortels van de paardenbloem (afbeelding 5) lijken van meet af aan meer op de diepte georiënteerd te zijn. Uit de dikkere wortels groeien dan de voor de omgeving gevoelige zijwortels, die de omringende bodem aftasten. Bij de cichorei ontwikkelen deze zich betrekkelijk laat en zijn geheel, vanaf de plaats waar zij de hoofdwortel verlaten, meteen heel dun. Bij de paardenbloem is er een meer glijdende overgang van hoofdwortel naar zijwortel. (Uit de tekening blijkt dat de cichorei tot een diepte van 1,20 m kan wortelen! Dit wist ik nog niet, toen ik probeerde een cichoreiplant op te graven. De grond was daar weerbarstig, kleiig en keiig en ik kwam er met mijn spade niet ver in, tot 40 à 50 cm. Wat ik aan wortel opgroef was zelfs minder (15 cm), maar bevatte blijkbaar voldoende energie om de plant in een emmer water tot bloei te krijgen. Zie de aparte dagboekaantekeningen.)

Overgang naar het bloeistadium

De activiteit in de grond zet zich boven de aarde voort. Doordat de wortels in het eerste jaar geheel gericht zijn op een zich-verbinden met de aarde, wordt het bovengrondse deel van de plant in de rozet 'gestuwd'. De bladeren groeien met hun bladsteel van het midden van de rozet weg. In verbinding met de fijnere vertakkingen van het wortelgestel ontstaat naar boven toe een uitbreiding in het groene bladgebied, dat geheel is ingesteld op het opnemen van de zonnekracht in de stofwisselingspro-cessen (assimilatie).

Datgene wat van beneden opstijgt, wordt in het lucht- en lichtelement verfijnd, gedifferentieerd. Naarmate de invloed van het kosmische meer te voorschijn treedt, wordt het blad vleziger en neemt de omvang van de bladschijf af. Het hangt nu van het ritme van de invloed van de zon (omgeving) en het ontwikkelingsstadium van de plant af, of dit proces zich enkel voltrekt in een zich verder differentiëren van de bladvorm of naar zijn eigenlijke bestemming, het bloeien, evolueert.

Voor het wortelgebied betekent dit de overgang naar een derde ontwikkelingsfase: de wortels gaan zich steviger verankeren en vertonen meer structuur. In het bladgebied neemt nu de vormveranderende activiteit af en maakt plaats voor het bloeistadium. Met de 'bloem' (bloeiwijze) verschijnt het beeld van een innerlijke kwaliteit als uitdrukking van de volgende stap in de metamorfose. Hierin wordt op het hoogste niveau zichtbaar, waarop de plant zich oriënteert en wat de wortel als terugstraling uit het bodemmilieu aan kwaliteit vindt.

Als het bloemhoofdje ontstaat, is het groeiproces van de plant voor een ogenblik tot rust gekomen. Ten opzichte van de 'bloem' beleven we niet, zoals bij het blad, een in zichzelf besloten vormtendens, die uit zichzelf een volgende fase in de metamorfose genereert. We ervaren er meer een stralende kwaliteit in, een beweging uit een bepaalde richting van de kosmos.

Bij de PAARDENBLOEM wordt de bloei (in het eerste jaar van de ontwikkeling uit zaad) na eind juni (hoogste stand van de zon) vlak onder het aardoppervlak voorbereid. Het kosmische is hier vooral werkzaam in het vermogen van de plant om fijnere krachten uit de omgeving op te nemen. De bloeiwijze blijft vooralsnog een bloemknop. In het volgende voorjaar rijzen, wanneer de straling van de zon in kracht toeneemt, de weke, sappige bloeistelen uit de rozet omhoog. Ze ontspruiten uit de in de aarde verscholen bladoksels en uit de hoofdspruit. De bloemknoppen zijn naar boven gericht en gaan open wanneer de zon schijnt, alle ongeveer op dezelfde dag, te beginnen met de meest naar binnen staande hoofdjes. De talrijke stralendgele lintbloempjes harmoniëren goed met het frisse groen van de rozetbladen en van het omringende gras in de weiden, terwijl ze zich toch ook kenbaar maken als iets geheel nieuws. De nauwe betrekking tussen het bloengebied (overheersing van het kosmische element, stuwing van de bloemdelen, het generatieve deel van de plant) en het bladgebied (overheersing van het aardse element, strekken van de steel, het vegetatieve deel van de plant), die men aan dit beeld kan beleven, springt vaak nog duidelijker in het oog doordat soms enkele stelen zijn vergroeid en een vergroot bloemhoofdje vormen. Bij goed weer opent elk bloemhoofdje zich verscheidene dagen achtereen. De volgorde waarin de afzonderlijke bloempjes zich ontvouwen, is van de rand van het hoofdje naar binnen toe. De groei is na de bloei evenwel nog niet voorbij. Terwijl in de uitgebloeide, weer gesloten hoofdjes de vruchtjes rijpen, groeit de steel verder - vaak tot de dubbel lengte - en worden kelkblaadjes (pappus) aan lange steeltjes naar buiten gechoven. Dicht aan de grond groeien tegelijkertijd uit de bladoksels van de rozet nieuwe rozetten.

De ontwikkeling van de CICHOREI laat een wezenlijk ander beeld zien. Bij deze plant worden de bloemknop-pen niet in het voorjaar aangelegd. Terwijl de bloeitijd van de paardenbloem in de regel voornamelijk in de maand mei valt, groeit bij de cichorei eerst de rozet meer uit. De plant overwinterde na het eerste jaar met slechts heel kleine blaadjes of alleen maar bladknoppen. In de lente van het tweede jaar begint dan de hoofdspruit, nog maar heel dun, steil omhoog te schieten. De onderste stengelbladeren vertonen alle overgangsvormen van paardenbloemachtig rozetblad tot meer eenvoudige, zittende bladeren met brede bladvoet en, in het bovenste stengelgedeelte, kleine, zeer spitse blaadjes met een verbrede, stengelomvattnede bladvoet. Dichtbij de grond beginnend, ontwikkelen zich in alle bladoksels langs de steel omhoog verscheidene, dichtbij elkaar zittende bloemknoppen. Bovendien ontwikkelen zich daar heel vaak nog zijscheuten, die schuin omhoog wijzen. Deze hebben dezelfde spitse blaadjes als aan het bovenste gedeelte van de hoofdstengel en vormen ook groepjes van bloemknoppen. Zowel de zijloten als de hoofdstengel worden gekroond door één of meer bloemknoppen. (Een essentieel verschil tussen paardenbloem en cichorei is dus, dat de bloei bij de paardenbloem wordt gestuwd in de rozet en als het ware 'explodeert' in een bloeisteel plus hoofdje: de paardenbloem heeft géén stengel, in tegenstelling tot de cichorei die eerst een krachtige stengel vormt voordat zij gaat bloeien.)

Rond de zomerzonnewende (23 juni) heeft het geheel van stengel en zijloten zijn definitieve vorm bereikt en begint te verstarren. Het aantal groene blaadjes aan de wirwar van dunne, stijf en steil uitstaande vertakkingen neemt steeds meer af; de rozetbladen beginnen te verwelken. Dan pas begint de bloei. Steeds openen zich slechts verscheidene hoofdjes tegelijk, 's morgens vroeg wanneer de zon opkomt. (In het algemeen is dit alleen zo tijdens stabiel, zonnig weer. Bij bedekte hemel kunnen de hoofdjes veel later opengaan. Is er te weinig licht of regent het, dan blijven de hoofdjes gesloten.) In het bladgebied duiden de stapsgewijze, geleidelijke bladmetamorfose, de toenemende verharding van de stengel en het ontstaan van een fijne oppervlaktestructuur erop, hoe de vegetatieve tendens (het louter groeien) allengs wordt getransformeerd en tot rust komt. Aan het slot van dit proces toont de plant ons als het ware zijn innerlijk met zijn stralend-hemelsblauwe bloemen. De groei is dan volledig tot stilstand gekomen. De afzonderlijke lintbloemen van een hoofdje ontvouwen zich allemaal tegelijk en bloeien maar ongeveer een halve dag, om kort na de middag alweer te verfletsen. (Ook hier: dit is een algemeen beeld, dat alleen tijdens stralend weer geldt. Is het bewolkt of regenachtig, maar is er toch voldoende licht, dan kunnen de hoofdjes veel langer open blijven, wel tot in de avond. De hoofdjes aan 'mijn' plant in een emmer water - zie de dagboekaantekeningen - bleven soms, eerste helft juli, toen het maar niet wilde zomeren, tot 9, 10 uur 's avonds open!) Elke morgen verschijnen er van die blauwe sterren, die 's middags verwelken en verschrompelen. De bloei gaat zo, in golven, door tot in de herfst. (De plant die ik van dag tot dag volgde, was in juli al uitgebloeid. Hij produceerde 59 hoofdjes. Bij een gemiddeld aantal van 20 lintbloemen per hoofdje komt dit neer op bijna 1200 bloemen.) Tegen het eind van de bloeitijd krijgt de plant een steeds schraler aanzien: het leven lijkt in de kale stengels verdwenen en de spaarzame bloemen die dan nog verschijnen, stralen ons toe als uit een verre wereld. Na de bloei groeien de bloeisteeltjes niet verder, zoals bij de paardenbloem, evenmin ontwikkelen zich aanhangsels aan de nootjes. Alles blijft dicht tegen de stengel aan zitten, totdat de rijpe zaden uit de nootjes vallen of door vogels gegeten en verspreid worden.

Samenvatting (alleen cichorei)

De wilde cichorei is in de ontwikkeling van haar wortel en rozetbladen aanvankelijk sterk op de aarde gericht. Pas in een later stadium, wanneer de bladeren, bloemen en vruchtjes worden gevormd, is er meer een oriëntatie op de bovengrondse (kosmische) omgeving. De plant doorloopt daarbij, gelijk opgaand met het jaarverloop, stapsgewijs alle mogelijkheden van buigzaam en sappig (beweeglijkheid in het bladgebied) tot taai en hard (starre vorm in het stengelgebied). Wordt door ingrijpen van de mens (kweek) bij de cichorei het terrestrische element - aarde en water: groei van het blad, veel bladmoes - versterkt, dan neemt de bitter smaak van het blad af (witlof; andijvie). In dit opzicht biedt de cichorei veelzijdige mogelijkheden als voedingsgewas. Maar ook de omgekeerde mogelijkheid ligt in de cichorei besloten, namelijk een te vroege verstarring van de hoofdspruit. Dit is te zien bij een verwant van de cichorei uit het Middellandse-Zeegebied, namelijk Cichorium spinosum, waarbij de zijloten doornachtig verkort zijn en alleen aan de basis hiervan nog bloemhoofdjes tot ontwikkeling komen. De wilde cichorei neemt dus een middenpositie in tussen de gekweekte vormen en haar mediterrane soortgenoot. De cichorei is tweejarig (de wortel is overblijvend). Een breedbladige variant kan al in één groeiseizoen tot bloei en vruchtzetting komen. In elk geval worden de bloemknoppen in hetzelfde jaar aangelegd als waarin zij gaan opengaan en bloeien. In het winterseizoen sterven de bovengrondse delen af. Worden door bijzondere omstandigheden de bloemknoppen te laat aangelegd, dan moet de plant sterven. De manier waarop de bloei in de lente en de voorzomer na een gestage vegetatieve ontwikkeling langzaam voorbereid wordt, de spruit zich strekt en ten slotte verhardt en de bladeren zich steeds meer samentreken en spitser worden, is het beeld van een geleidelijk voortschrijdend louteringsproces. Het contrast tussen de zeer taaie, harde stengel en zijloten en de kwetsbare, blauwe bloemen, die zich tijdens hun kortstondige bloei geheel aan de zon overgeven en nog enige beweeglijkheid behouden hebben doordat zij het ritme van de zon volgen, is een sprekend beeld van een innerlijke kwaliteit die van elke vormtendens bevrijd is.

Bronnen

J. Bockemühl, Wegwarte und Löwenzahn (artikel verschenen in: Beiträge zu einer Erweiterung der Heilkunst, nr. 29 (3), 1976)
W. Pelikan, Heilpflanzenkunde I
R. van Romunde, Planten waarnemen: elementenwezens ervaren
R. Steiner, Vruchtbare landbouw op biologisch-dynamische grondslag
Vruchtbare Aarde (tijdschrift), nr. 3, 1998

Diverse artikelen
Begin
Over planten
 

Geelwortel volledig gereviseerd

  De Meloen (Pompoen) – Cucurbita pepo L.
 

Kneuzingen, zwellingen en sportblessures

  Boom opzetten over Naaldhout
  Jacobskruiskruid, vragen, vragen en nog meer vragen
  Alternatieve landbouwgewassen
  Fluite(n)kruid
  Flierefluiten met een vlierfluit
  Silphium, het verdwenen kruid
  Winterlinde (Tilia cordata Mill)
  Mangosteen (Garcinia mangostana Linn)
  Medicijn en drogerij in den Bijbel - met registers met plantenlijst
  De planten voor de Karel de Grote-tuinen
  Sint-Antoniusraapje (Ranunculus bulbosus - Knolboterbloem)
Diverse onderwerpen
 

Tips van Tenna: huismiddeltjes - EHBO uit uw keuken

  Prof. dr. Frits Muskiet: ‘Onze voeding moet gebaseerd zijn op eetpatroon oermens’
  Bestanddelen van thee
  Bloementuin
  Vakantie
  Bijenhotels voor het helpen van solitaire bijen én drachtplanten
  Bijen@wur – voorheen "De Ambrosiushoeve"
  Over de wilde cichorei (Cychorium intybus)
Uitzendingen/Podcasts
P.Munnik over kruiden
   
Woordenboek Nederlandsche Taal
Plantago PlantIndex
Letter: druk op CTRL, draai ook aan muiswiel