Beginpagina van Plantaardigheden.nl

 

 

Actuele toepassingen van planten
Sitemap
Index

Plantaardigheden.nl
Artikelen over planten

Leesmaar.nl
Dodoens en andere bijzondere boeken

Leeswerk.nl
Plantenboeken opengelegd

Over de wilde cichorei (Cichorium intybus)

4. Veelzijdig groentegewas en koffieleverancier

Vermoedelijk bekender dan de wilde cichorei zijn de hiervan gekweekte vormen, die bekend staan onder de namen kapucijnerbaard (bladcichorei), witlof, groenlof en roodlof. De botanische aanduiding van de cultuurvariëteit waarvan al deze groentes worden gewonnen, luidt Cichorium intybus var. foliosum. In Nederland en België is voornamelijk witlof (Brussels lof) bekend, de in het donker opgegroeide scheut van eerder gekweekte wortels. Groenlof is dezelfde scheut, maar dan in het licht gegroeid. En de in Italië en Zwitserland geliefde, op rode slakropjes gelijkende, roodlof (radicchio rosso) is eveneens een vorm van cichorei.

Kapucijnerbaard (capucienbaard, wilde suikerij, bittere suikerij)

Het gebruik van cichorei als groente is al heel oud. Bij de oude Egyptenaren waren de bladeren van de wilde cichorei zeer in trek en ook de Romeinen waren verzot op bladcichorei. Pas aan het begin van de 16e eeuw probeerde men in de Zuidelijke Nederlanden door het bleken van de bladeren een minder bittere cichorei te verkrijgen. Het streven naar een verbeterde variëteit mondde in de 17e eeuw uit in een cichoreicultuur van zogenoemde 'uytspruytsels' of kapucijnerbaarden, een groente die toen als een exclusiviteit werd verhandeld. Maar midden 18e eeuw keerde het tij en ging men met de veredeling verder. Doordat een kweker bij vergissing zaad van een andere variëteit, de koffiecichorei, had ontvangen en uitgezaaid, werd ontdekt dat deze kweekvorm veel grotere en minder bittere bladeren ontwikkelde. Sindsdien nam het kweken van kapucijnerbaard een hoge vlucht, totdat hij werd verdrongen door de kweek van witlof. In Frankrijk wordt in het voorjaar altijd nog cichoreisla (chicorée de barbe capucin) gegeten. De naam kapucijnerbaard verwijst naar de bijzondere baarden en de spitse kappen (capuccino) van de kapucijnen. Deze kloosterorde leverde een belangrijke bijdrage tot de ontwikkeling van de kapucijnerbaard.

De kweek van de kapucijnerbaard vertoont veel gelijkenis met die van witlof (zie aldaar) en lukt op bijna elke grond. De grond wordt tot op een diepte van 50 cm omgespit. Vervolgens zaait men, in mei, in rijen op 30 cm afstand van elkaar. De zaailingen worden tot op 8 à 10 cm van elkaar gedund.

In oktober worden de wortels gerooid, die men, net als witlofwortels, enkele dagen op het land laat rusten. Alvorens de wortels in te kuilen, worden de bladeren tot op 1 cm van de kraag afgesneden. Daarna worden de wortels korte tijd bij elkaar in een los en vruchtbaar zandbed van ten minste 50 cm diep, verrijkt met compost, geplaatst. Dit kan bijvoorbeeld in een ton, een kist, een hoop of in de vollegrond. Ten slotte volgt inkuiling op een volstrekt donkere plek, waar een constante temperatuur van 10 graden Celsius heerst. Onder warme omstandigheden ontwikkelen de kapucijnerbaarden al na enkele weken nieuwe bladeren. Deze kunnen afgesneden worden als ze 15-25 cm lang zijn (zonder het groeipunt te beschadigen). Op deze wijze kan een paar maanden achtereen worden geoogst.

Veel zaadcatalogi vermelden de 'kapucijnerbaard' onder de 'wilde suikerij' of bij het witlof. Voor de teelt van cichorei maakt men veel gebruik van gewone (wortel)cichorei of speciale selecties hiervan, zoals 'Maagdenburger' en 'Brunswick' .

Witlof (Brussels lof, witloof)

Heel bekend als groente is het witlof. Deze kweekvorm zou door een toeval zijn ontdekt in de Botanische Tuin van Brussel. De uitgestrekte souterrains hiervan werden aan particulieren verhuurd en grotendeels voor de champignonteelt gebruikt. In 1851 bestemde de hoofdtuinman Bresiers een gedeelte van zijn champignon-kelder voor het laten overwinteren van wintercichorei in bakken. Hij rooide enkele wortels, sneed het loof eraf en plantte ze. Op een dag merkte hij dat zijn cichorei kleine gedrongen knobbels had gevormd en al heel snel verschenen er kleine compacte scheuten boven de grond. De nieuwe groente smaakte best, en het volgend zeizoen deed Bresiers hetzelfde. Hij hield zijn ontdekking geheim, maar na zijn dood vertelde zijn weduwe het door aan haar tuinman, die het verder vertelde, wat ertoe leidde dat deze techniek nu alom wordt toegepast.

Witlof is een tweejarig gewas, dat na een koudeperiode tot bloei overgaat. De teelt gebeurt in twee fasen. In de eerste fase worden lange, dunne, vlezige wotels gevormd. Wanneer die uitgestoken worden - het rooien - en de bladeren afgesneden, kan de tweede fase, het trekken, beginnen. De wortels worden opnieuw geplant, maar dan heel dicht bij elkaar, en bedekt met een laagje aarde. Dat opnieuw 'zetten' heet intafelen of inkuilen. In de beroepsteelt gebeurt dit altijd op een verwarmde plaats. In dat geval spreekt men van forceren.

Nog niet zo lang geleden zijn nieuwe witlofvariëteiten ontwikkeld, die een witte krop geven zonder dat er aarde op hoeft te liggen. Dat zijn de variëteiten voor trek zonder dekgrond, die altijd binnen geteeld worden.

De nieuwste (twijfelachtige) tendens is de trek op water, waarbij de wortels in grote bakken in donkere cellen komen te staan.

Bij de koude trek in vollegrond wordt eigenlijk geen enkel hulpmiddel gebruikt. In mei wordt ter plaatse gezaaid om te rooien en buiten in te kuilen in de tweede helft van oktober en in november. De oogst valt in april en mei, afhankelijk van het weer. Het kan iets vervroegd worden door de kuil af te dekken met een laag folie. De kwaliteit van op deze manier gekweekte kroppen is wel een stuk minder: ze zijn niet zo mooi gevormd en gesloten als warm getrokken wortels. De smaak is echter zeker zo goed en minder bitter. Omdat in de vollegrond het witlof wordt geteeld om de wortels, die dezelfde behoefte aan voedingsstoffen hebben als de andere wortelgewassen, wordt witlof in het teeltplan bij de wortelgewassen gerekend en niet bij de bladgewassen, hoewel we uiteindelijk de bladeren eten.

Witlof wordt in mei ter plaatse gezaaid. De eerste helft van juni kan ook nog, maar dan moet men wel een laat ras nemen. De meest gebruikte rijafstand is 30 cm. Eén zaadje om de 2 of 3 cm is voldoende, want later wordt er toch gedund tot op 10 tot 14 cm. De zaaidiepte is 1 tot 2 cm. Sommige tuinders zaaien witlofplantjes op een zaaibed, die na 6 tot 7 weken op de gewone afstand worden uitgeplant. Bij het verplanten is het onvermijdelijk dat de jonge wortels worden beschadigd. Vlak na het verplanten ondervinden ze dan grote moeilijkheden om aan voldoende water te komen. Het afsnijden van de bladeren tot op een derde van de lengte is dan ook noodzakelijk om verdamping te beperken.

Om later goede vaste kroppen te krijgen, moeten de wortels volgroeid of rijp zijn. Die rijping heeft gewoonlijk tegen half oktober plaats. Naargelang het weer en het ras, kan vroeger of later worden geoogst; met witlof zonder dekgrond kan men al tamelijk vroeg met rooien beginnen. Het is raadzaam om eind november de laatste wortels te oogsten, om bevriezing te voorkomen. Het rooien gebeurt door de wortels los te steken met een spade of vork. Daarna worden de wortels met blad en al een dag of vijf op de grond gelegd. Tijdens die 'rustperiode' trekken nog reservestoffen van de bladeren naar de wortels. Deze narijping is van belang bij de vroege rassen. Bij de andere rassen kan het rooien, afsnijden van het blad en intafelen eventueel tegelijkertijd gebeuren. Om de wortels tegen uitdrogen en natregenen te beschermen, legt men de rijen zo dat het loof van de ene rij de wortels van de andere rij afdekt. Tegen aanhoudende regen en tegen vorst volstaat deze bescherming niet. De wortels kunnen dan nog extra afgedekt worden met folie, maar het is beter voor die tijd in te tafelen.

Na de rustperiode worden de bladeren van de wortels afgesneden. Daarbij moet zoveel blad blijven staan, dat het later weer kan uitschieten en de witlofkrop vormen. Dus niet lager afsnijden dan tot 2-3 cm, anders zou het groeipunt beschadigd kunnen worden. De dunne zijwortels worden meestal afgebroken of afgesneden. Om de wortel de kans te geven opnieuw uit te lopen en te laten kroppen, moet hij nieuwe haarwortels vormen. Hoe meer haarwortels, hoe meer water de wortel kan opnemen en hoe zwaarder de krop kan worden.

Voor de koude trek worden de wortels nu ingekuild op een plaats waar het grondwater niet te hoog staat. De wortels worden netjes naast elkaar op de vlakke bodem van een kuil gezet en dan bedekt met 20-30 cm lichte grond. Als bescherming tegen de vorst kan de kuil nog worden afgedekt met riet of stro. Afhankelijk van de temperatuur zullen nu de scheuten in de dekaarde gaan groeien. Ongeveer half januari kan men eens gaan kijken of de kroppen al groot genoeg zijn.

Naarmate de grond warmer is - we hebben het dan over de warme trek - zullen de kroppen eerder gevormd worden. De wortels worden nu in kistjes gezet, ook weer gevuld met aarde. De eerste tien dagen wordt nog niet verwarmd, daarna brengt men vooral de ondergrond op temperatuur en wordt, zo mogelijk, de dekaarde wat koeler gehouden. Voor zeer vroege trek kan tot 22 graden Celsius verwarmd worden, middelvroeg tot 20 en laat tot 18 graden. Dit zijn maxima. Makkelijker resultaat wordt verkregen bij een temperatuur die ligt tussen 7 en 13 graden.

Witlofwortels voor late trek kan men ook bewaren in een koelkast bij temperaturen van iets boven nul. De wortels worden dan pas in het voorjaar gezet.

De zaadbedrijven brengen een groot aantal selecties of rassen op de markt. Er zijn rassen enkel geschikt voor trek met dekgrond, andere alleen voor trek zonder dekgrond, en nog weer andere voor beide, zoals de hybride 'Zoom'. Verder onderscheidt men tussen vroege, middelvroege en late rassen. De vroege worden begin mei gezaaid en in oktober gerooid, late rassen worden eind mei gezaaid en in november gerooid. Veel gebruikte rassen zijn:

  • trek met dekgrond - vroeg: 'Vroege Mechelse', 'Zoom F1'; middelvroeg: 'Edellof , 'Produktiva', 'Trilof'; laat: 'Meilof', 'Producent'
  • trek zonder dekgrond - vroeg: 'Zoom F1', 'Toner F1', 'Flash F1'; middelvroeg: 'Tetrosa', 'Videna', ' Mitado'; laat: ' Carolus'.

Groenlof (suikerij, suikerbrood, pain de sucre, zuckerhut, herfstlof)

Groenlof is een oud groentegewas, dat in veel Zuid- en Middeneuropese landen wordt geteeld en het miden houdt tussen andijvie en witlof. Groenlof is een omvangrijk bladgewas: vanuit een relatief dunne wortel ontwikkelt zich een naar de kop toe breed uitgroeiende krop. Het komt vaak voor dat zich alleen een breed uitwaaierende bladrozet vormt. In tegenstelling tot witlof vormt de krop zich tijdens de vegetatieve fase, in het eerste groeijaar, en niet in de generatieve fase, in het tweede groeijaar. De alternatieve benaming - suikerij en suikerbrood - suggereert een zoete groente, maar dit is niet zo. Groenlof kan soms zelfs behoorlijk bitter smaken, al blijft de smaak milder dan die van witlof.

De teelt van groenlof is eenvoudig en lukt op de meeste grondsoorten. Bemesten moet mondjesmaat gebeuren. De gevoeligheid van groenlof voor doorschieten bij lage temperaturen maakt dat men niet eerder dan half juni moet zaaien, hoewel de jonge plantjes al vroeger in perspotjes onder warm glas opgekweekt kunnen worden.

Zaaien in geultjes op 30 à 35 cm afstand van elkaar. Wil men jong, maar erg bitter, blad oogsten, dan tamelijk dik zaaien. Men krijgt echter een veel smakelijker bladgroen, als dun wordt gezaaid en later de planten in de rijen tot op 25-30 cm worden gedund, zodat het langwerpige kroppen worden.

Los jong blad kan al een maand na zaaidatum worden geoogst, maar de ontwikkeling van een krop vraagt wat meer tijd (drie maanden). De geelwitte bladeren in het hart van de krop zijn het lekkerst. Groenlof wordt meestal onder de benaming '(Vroeg zelfsluitend) Groenlof' , 'Suikerij', '(Verbeterd) Suikerbrood' of 'Zuckerhut' aangeboden, zonder vermelding van een ras. Tot dusver zijn de zaden zeer heterogeen van samenstelling gebleken, waardoor vaak geen of onvoldoende gesloten kroppen ontstaan. 'Scarpia' en 'Poncho' zijn twee rassen met goed sluitende kroppen.

Roodlof (rode andijvie, bladcichorei, radicchio rosso)

Groenlof en roodlof nemen samen een plaats in naast het witlof. Ze smaken allebei bitter. Het bladgroen van het roodlof kleurt in de herfst bordeauxrood en contrasteert fel met de witte nerven. Roodlof wordt in Italië op grote schaal gekweekt en men kent daar verscheidene rassen, die in twee groepen worden onderverdeeld. Het Verona-type (winterroodlof of sla-type) vormt een bladrozet en levert pas na de winter een oogstbaar produkt op. Roodlof van het Chioggia-type (zomerroodlof of witlof-type) geeft al in de herfst een kleine krop. Het wordt nogal eens onjuist 'rode sla' genoemd. Roodlof is arm aan calorieën en rijk aan mineralen.

Roodlof schiet net als groenlof gemakkelijk door. Het is daarom raadzaam om pas bij een temperatuur van rond de 20 graden Celsius te zaaien. Buiten zaaien gebeurt vanaf medio juni. Alleen arme grond moet bemest worden. Zaaien in geultjes op 30 cm van elkaar. Zodra de eerste plantjes zich tonen, kan men dunnen tot op 25 cm.

De roodlofkroppen van het Chioggia-type worden in de herfst geoogst. Roodlof van het Verona-type oogst men pas in het voorjaar. In de winter bevriest het lof. Het wordt daarom enkele centimeters boven de grond afgesneden, zonder het hart te beschadigen. De stoppel wordt met stro of dorre bladeren bedekt of ingekuild, zoals witlof. In maart lopen de roodlofstoppels uit en vormen zich de kleine rode kroppen. Door er folie over te spannen, kan de oogst een paar weken worden vervroegd. Uiterlijk begin mei moeten alle kropjes naar binnen.

Roodlof van het Chioggia-type is het meest geschikt voor de teelt in Nederland. Bekende rassen zijn 'Otello', 'Augusto', 'Gila', 'Cesare', 'Ronette' en 'Rode Marina'. Van het Verona-type is 'Rode van Verona' veruit het bekendste ras. Andere rassen zijn 'Rode van Treviso' en 'Castelfranco'. 'Grumolo' is een merkwaardig ras, omdat de bladeren groen blijven. Uit een kruising van roodlof en witlof zijn typen ontstaan die net als witlof worden ingekuild en geforceerd. Deze nieuwe groente noemt men rood witlof. 'Robin' is het meest bekende ras hiervan.

Koffiecichorei

In het hoofdstuk over de namen van de cichorei is de cichoreikoffie en de daarmee samenhangende geschiedenis al ter sprake gekomen. Hier volgen nog enkele aanvullende gegevens. Behalve als groente wordt de cichorei ook gekweekt om de wortels, waarvan cichoreikoffie wordt gemaakt. Botanisch gezien gaat het dan om een andere variëteit dan de groentecichorei: Cichorium intybus var. sativum. Vroeger werd koffiecichorei op veel grotere schaal gekweekt dan tegenwoordig. De verwerking van de wortel tot koffiesurrogaat kwam in gebruik aan het eind van de 17e eeuw en nam een hoge vlucht tijdens het Continentaal Stelsel van Napoleon. In Nederland heeft de teelt van koffiecichorei elke betekenis verloren.

In België wordt het gewas nog op bescheiden schaal gekweekt. In 1970 bedroeg daar het beteelde oppervlak (zaadteelt uitgezonderd) 1410 ha en 1977 1600 ha. April, begin mei wordt er gezaaid. Het uitschieten van de bloeistengel wordt in het eerste jaar verhinderd, waardoor de wortel vlezig en dik wordt. De oogst valt in oktober tot begin december. Een wortelopbrengst van 40.000 kg levert ongeveer 10.000 kg cichoreibonen en 7500 kg koffie. Tussen 1970 en 1977 schommelden de opbrengsten aan wortels tussen 27.400 en 60.000 ton. In 1977 voerde België 4357 ton ongebrande cichorei in en 2738 ton uit. De uitvoer van gebrande cichorei bedroeg 3950 ton tegen een invoer van 885 ton.

Na het oogsten worden de wortels gewassen, gesneden en gedroogd (de gesneden en gedroogde wortelstuk-ken noemt men cichoreibonen). Vervolgens worden de stukken geroosterd en aan een fermentatieproces onderworpen. Hierbij verdwijnt de in de wortels aanwezige bittere stof grotendeels en wordt de inuline omgezet in karamel.

De cichoreikoffie wordt aan bonenkoffie toegevoegd om deze donkerder te kleuren, een enigszins bittere smaak te geven en de geur langer te bewaren. Ook neemt men aan dat cichorei het oppeppende effect van coffeïne neutraliseert. In tijden van schaarste, zoals in de Tweede Wereldoorlog, heeft ze een vervangende rol gespeeld. Een bekend merk was Buisman (in blikjes). Naast de cichorei wordt ook een fijngemalen produkt bereid, dat met de naam peekoffie (pee = wortel) wordt aangeduid. Een voorbeeld is de oploscichorei onder het merk Pacha, die als 'natuurzuiver, cafeïnevrij en lekker pittig' wordt aangeprezen. Een kopje Pacha smaakt best lekker en is zeker een goed alternatief voor Bambukoffie, een andere surrogaatkoffie. Bij mensen die beroepsmatig contact hadden met cichoreiwortels, zijn gevallen van huidontsteking en ademhalingsmoeilijkheden bekend. Onderzoek heeft uitgewezen dat er mogelijk een verband bestaat met bepaalde stoffen die uit het melksap in de wortel vrijkomen. Vooral lactucine en lactupicrine zouden voor de klachten verantwoordelijk kunnen zijn.

Zonne-energie, witlof en nachtrust

De zon schenkt ons niet alleen haar licht, maar is ook de bron van onze levensenergie. Zonne-energie is onmisbaar voor het leven op aarde. De zonnekracht geeft ons de mogelijkheid dagelijks te incarneren (op te staan uit de 'kleine dood', die de slaap is) en stelt ons in staat tot de opbouwfase. Deze opbouwfase ligt tussen het moment dat de zon opkomt en het moment dat zij haar hoogste stand (12 uur 's middags) bereikt. In deze periode zijn wij in de weer met het ontplooien van initiatieven, opbouwen, activiteiten, enz. We zijn dan scheppend en praktisch bezig. Het is de periode van het etmaal waarin we proberen het wereldse, de materie, vorm te geven. Vanaf 12 uur volgt een soort overgangs-fase: de zon moet over haar hoogste punt heen komen. In deze periode is alles in de natuur in rust (de mens volgt met zijn middagdutje of siësta). Vanaf een uur of drie 's middags gaat de zon een tegengestelde richting. Dit is de periode die overeenkomt met die van de geest. Het is (of zou moeten of kunnen zijn) een bezinningsperiode, volgend op de activiteiten van 's morgens. De zon begeleidt dus twee dagelijkse fasen: die van de daad en die van bezinning. Enkele uren nadat de zon is ondergegaan, begint de periode van de reiniging. In deze periode (slaap, wegvallen van het dagbewustzijn) moeten wij nieuwe energie opdoen voor de volgende bewustzijnsperiode. Gedurende de reinigingsperiode speelt onze lever (een van onze belangrijkste reinigingsorganen) een grote rol. De reinigingsperiode is van enorm belang. Iemand die op de juiste wijze reinigt, ontdoet het lichaam van schadelijke stoffen en geeft het daardoor de mogelijkheid nieuwe energie te ontvangen. De slaap- of reinigingsperiode heeft dus een genezende werking. Gaat de mens zijn reinigingsperiode verleggen, door bijvoorbeeld later naar bed te gaan, dan staat hij 's morgens op met een niet volledig ontgift lichaam. Het bloed bevat nog veel gifstoffen en men is niet in staat adequaat vorm te geven aan de dagelijkse opbouwfase.

Wat heeft dit nu te maken met witlof als slaapbevorderend middel? Daarvoor moeten we kijken naar de wijze waarop witlof wordt gekweekt. De witlofkrop groeit uit de cichoreiwortel. Men kweekt eerst - onder de invloed van de zon - de wortel. Daarna wordt deze ingekuild, d.w.z. afgedekt met een laag aarde, die ervoor zorgt dat het daglicht de daaruit spruitende bladeren niet kan bereiken. Het witlof is dus een produkt van de duisternis. Het groeit op de zonne-energie, het licht, die de wortel heeft opgeslagen. Dit komt overeen met onze dagfase (opbouw), terwijl het eetbare resultaat, de in het donker gegroeide witlofkrop, overeenkomt met onze nachtfase (reiniging). Witlof bevat veel bitterstof en werkt daardoor in op onze lever. Daarom past het eten van witlof heel goed bij de reinigingsfase.

Het groeiproces van het witlof komt dus overeen met het slaapproces van de mens: de wortel heeft zonlicht nodig om voldoende energie te verzamelen om de witlofkrop tot ontwikkeling te laten komen, de mens heeft zonne-energie nodig voor een evenwichtige slaap. Dat is de reden waarom witlof een harmoniserende invloed op het slaapproces heeft. En zoals witlof bij de slaapfase hoort, hoort het in een groter verband gezien bij de winter, de fase waarin de hele natuur tot rust, tot 'bezinning' komt. Het is daarom aan te bevelen 's winters regelmatig wat rauwe lof bij de avondmaaltijd te gebruiken, zodat het lichaaam wordt voorbereid op de periode van de dagfase. En het is dus niet verstandig om 's morgens of 's middags witlof te eten: het hoort typisch bij de avond. Witlof helpt de nacht te overwinnen, het is het 'licht van de nacht'.

(Naar: J. Huibers, "Kruiden om te slapen")

Bronnen

H. van Boxem, Handboek ekologisch tuinieren
D. Criel, Bijzondere groenten in uw moestuin
H. van Genderen e.a., Chemisch-ecologische Flora van Nederland en België
R. Herwig en H. Boks, Handboek voor de moestuin
J. Huibers, Kruiden om te slapen
Mellie Uyldert, De taal der kruiden

Diverse artikelen
Begin
Over planten
 

Geelwortel volledig gereviseerd

  De Meloen (Pompoen) – Cucurbita pepo L.
 

Kneuzingen, zwellingen en sportblessures

  Boom opzetten over Naaldhout
  Jacobskruiskruid, vragen, vragen en nog meer vragen
  Alternatieve landbouwgewassen
  Fluite(n)kruid
  Flierefluiten met een vlierfluit
  Silphium, het verdwenen kruid
  Winterlinde (Tilia cordata Mill)
  Mangosteen (Garcinia mangostana Linn)
  Medicijn en drogerij in den Bijbel - met registers met plantenlijst
  De planten voor de Karel de Grote-tuinen
  Sint-Antoniusraapje (Ranunculus bulbosus - Knolboterbloem)
Diverse onderwerpen
 

Tips van Tenna: huismiddeltjes - EHBO uit uw keuken

  Prof. dr. Frits Muskiet: ‘Onze voeding moet gebaseerd zijn op eetpatroon oermens’
  Bestanddelen van thee
  Bloementuin
  Vakantie
  Bijenhotels voor het helpen van solitaire bijen én drachtplanten
  Bijen@wur – voorheen "De Ambrosiushoeve"
  Over de wilde cichorei (Cychorium intybus)
Uitzendingen/Podcasts
P.Munnik over kruiden
   
Woordenboek Nederlandsche Taal
Plantago PlantIndex
Letter: druk op CTRL, draai ook aan muiswiel