Beginpagina van Plantaardigheden.nl

 

 

Actuele toepassingen van planten
Sitemap
Index

Plantaardigheden.nl
Artikelen over planten

Leesmaar.nl
Dodoens en andere bijzondere boeken

Leeswerk.nl
Plantenboeken opengelegd

Over de wilde cichorei (Cichorium intybus)

BIJLAGE 2

Vorming van melksap in het plantenrijk
(Uit: Wilhelm Pelikan, "Heilpflanzenkunde" I, blz. 111-115, bewerkt)

Talrijke kruiden, zelfs hele plantenfamilies - zoals de papaver- en wolfsmelkfamilie, de moerbeifamilie met o.a. de vijgen en moerbeien, de maagdenpalmfamilie, de zijdeplantfamilie, de klokjesfamilie en een subgroep van de composieten, de paardebloemachtigen (Lactuceae), waar ook de wilde cichorei toe behoort - bevatten melksap. Dit is een van die verschijnselen in het plantenrijk die raadselachtig blijven, wanneer we alleen naar een doel, naar een waarom vragen. Omdat melksap bij blootstelling aan de lucht meteen stolt en veelal bitterstoffen bevat, nemen de botanici aan dat het sap dient om wonden te sluiten en de plant te beschermen tegen diervraat. Het merendeel van de plantensoorten kan het echter heel goed zonder melksap stellen; en veel dieren zijn verzot op planten met melksap. (...)

Melksubstantie kennen we eigenlijk voornamelijk als voedsel voor baby's bij de mens en voor de jongen van de hogere zoogdieren. De lagere dieren, die nog inniger met de kosmos zijn verbonden, betrekken hun eerste voedsel uit de omgeving, terwijl dit bij de hogere dieren door het moederlichaam wordt aangemaakt uit het bloed. Toch is er een verband, want ook de hogere dieren en de mens voeden zich - vóór de geboorte - met wat hun in het levende milieu in de baarmoeder wordt aangeboden. Het embryonale bestaan is een oerstadium van het leven: het wordende wezen betrekt zijn bouw- en voedingsstoffen uit de 'binnen'kosmos van de baarmoeder. De zuigeling drinkt melk, het embryo 'zuigt' het voor hem vitale sap op uit de waterige substantie die hem in de uterus omringt.

De substantie waaruit melk wordt gevormd, het bloed, is trouwens zelf een aanwijzing dat er omgevingsfactoren in het geding zijn. Uit het bloed worden de voedingsstoffen voor het lichaam betrokken. Hoe verder we nu in de ontwikkelingsreeks van de organismen teruggaan, hoe meer de processen die bij de hogere dieren als het ware in het bloed zijn verinnerlijkt, zich naar buiten, naar het buitenlichamelijke, naar de omgeving verplaatsen. Een voorbeeld is het proces dat de warmte van het bloed reguleert: warmbloedige dieren regelen dit van binnenuit, koudbloedige dieren zijn afhankelijk van uitwendige warmte (omgevingswarmte). Menig onderzoeker heeft er ook op gewezen dat de samenstelling van de zouten in het bloed grote gelijkenis vertoont met die van zeewater. Bepaalde zeedieren (bijv. zeesterren) nemen zeewater op, houden dat een poosje als lichaamsvloeistof in hun lichaam en scheiden het na enige tijd weer uit. We zouden kunnen zeggen dat de zee als geheel 'bloedkwaliteit' voor de zeesterren heeft. En het bloed van de mens zouden we kunnen we opvatten als iets dat een beweging naar binnen heeft gemaakt, maar in zijn samenstelling van zouten nog een oeroude samenhang met de zee buiten hem, een reminiscentie aan het zilte nat, vertoont.

Welk verband is er nu tussen melk van mensen of dieren en melksap van planten? De tegenwoordige bestaansvorm van de natuurrijken [mens, dieren, planten, mineralen] biedt weinig aanknopingspunten; een zekere gelijkenis in uiterlijke verschijning betekent niet zoveel. Anders wordt dit, wanneer we de geschiedenis van de natuurrijken erbij betrekken. Bekijken we het embryonale leven van de hogere dieren in samenhang met de ontwikkeling van lagere diersoorten, die aan het prille begin van de geschiedenis van de planeet aarde herinneren, dan valt op dat bepaalde voedings- en opbouwprocessen aanvankelijk verzorgd worden vanuit het wezen van de omgeving en later, in meer recente tijden, verinnerlijkt worden en verschuiven naar het wezen van de mens zelf (over hem hebben we het hier in de eerste plaats). Bij deze terugblik op de ontstaansgeschiedenis van de aarde verdwijnen ook de verschillen tussen de natuurrijken; het menselijk bestaan blijkt vroeger veel meer plantaardig te zijn geweest. En zoals we in steeds levendiger, niet-verharde toestanden terechtkomen, naarmate we verder van het volwassen leven tot de jeugd, tot het leven van het embryo teruggaan, zo is het ook gesteld met de ontwikkeling van de aarde. (...) In een vroegere fase van de aardeontwikkeling was er de Oude Maan of Oermaan. In deze fase vormden aarde en maan nog één geheel (grofweg gedurende de geologische perioden Devoon en Carboon, zo'n 410 tot 290 miljoen jaar gelden). Er bestonden toen slechts drie natuurrijken die, als we ze met de huidige vier (mineralen, planten, dieren, mens) vergelijken, steeds tussen twee het midden hielden: diermensen, plantdieren en plantstenen. De mens zoals wij hem nu kennen, bestond toen nog niet. De mens leefde toen in het water en had ook deel aan de andere natuurrijken. Wel had hij al een fysiek lichaam, dat evenals de Oermaan uit vloeibare substanties van verschillende dichtheid bestond. In die vloeibare maanmassa leefde en drijfzweefde de mens.

In deze fase werd ook de basis gelegd voor het toekomstige zieleleven, het astrale element, dat verwant is met de sferen van de planeten, die in die tijd zelf ook nog in ontwikkeling waren. Zoals elk ontkiemend leven in verkorte vorm de ontstaansgeschiedenis van de hele soort herhaalt (biogenetische grondwet), zo werd de fase van de Oermaan herhaald tijdens het zogenaamde Lemurische tijdperk van de aardewording.

In deze Lemurische tijd (ongeveer van het Devoon tot en met het Krijt, 355 tot 66 miljoen jaar geleden) werd als het ware de embryonale fase van de planeet aarde voltooid. Het was een tijd waarin de levenskrachten en de levensprocessen een veel prominentere en intensievere rol speelden. Menselijk, dierlijk en plantaardig leven stonden toen, zoals gezegd, nog veel dichter bij elkaar, waren nog niet zo gedifferentieerd als tegenwoordig. De aarde 'hing toen als het ware aan de navelstreng van de kosmos' (Günther Wachsmuth). Het omhulsel van de aarde was toen nog veel belangrijker, een vaste aardkern had zich nog niet gevormd en zich in het inwendige van de aarde afgescheiden. In deze omhulling groeide de toenmalige plantenwereld; reusachtige, wolkachtige, groen wordende en weer vergelende bouwsels zweefden in een eiwitachtige atmosfeer. (...) Een dode, minerale, tot gesteente verdichte wereld bestond toen nog helemaal niet, net zomin als in de eerste fasen van de ontwikkeling van de menselijke kiem botvorming optreedt. Ook de lucht was nog niet dood, zoals tegenwoordig. Pas na het uittreden van de maan, in de midden-Lemurische tijd (ruwweg tijdens het Perm en de Trias, 290 tot 205 miljoen jaar geleden), ontwikkelden zich geleidelijk de aardse omstandigheden zoals wij die nu kennen; het organisme van de aarde werd toen als het ware geïncarneerd in de krachtsverhoudingen zoals die thans nog gelden.

Destijds bestonden er, net zoals tegenwoordig, bepaalde oeroude betrekkingen tussen het mensen- en plantenrijk. Een van die relaties is die tussen het bloed- en bladproces, tussen 'bloed-rood' en 'blad-groen'. Net zoals destijds gebruikte de mens voor het ademproces wat de planten aan de lucht afstaan, alleen gebeurde dat vroeger op een heel andere manier. Toen vormden de ademhaling en de voeding van de mens - nog helemaal een plantenwezen, zoals het plantachtige embryo - één en hetzelfde proces; hij zoog een soort fijne oer'melk' op uit de sfeer van het plantaardig leven, de reeds genoemde eiwitatmosfeer. Hij nam echter niet alleen. De plantenwereld kreeg het surplus aan vormkrachten, dat in zijn fysieke lichaam tot ontwikkeling kwam, ervoor terug; het teveel aan vitale krachten zou zijn hele ontwikkeling alleen maar belemmeren. Zou dit enorme potentieel van levenskracht, waarover de mens toen beschikte, in hem zijn gebleven, dan zou hij nooit bewustzijn, denkvermogen, aards verstand hebben kunnen ontwikkelen, want die zijn niet aan een expansie, maar aan een demping (terughouding) van de levenskrachten gebonden. De mens moest deze te sterke krachten offeren en doodskrachten in zich opnemen. Hij moest van de 'boom der kennis eten' en 'uit het paradijs verdreven worden' en de dood Ieren kennen - iets wat buiten de waarnemingsmogelijkheden van een plant ligt. De uit de menselijke natuur vrijgekomen krachten werden echter vormkrachten in de (lagere) natuurrijken. Dat is de reden waarom de mens zichzelf nog tot op zekere hoogte in alle in de natuur voorkomende organismen om hem heen kan herkennen. Ze waren ooit een deel van hem. Na het einde van het Lemurische tijdperk (overgang van Krijt naar Eoceen, 66 tot 53 miljoen jaar geleden) moest de mens, en de hele aarde, zich aanpassen aan nieuwe - de tegenwoordige - levensomstandigheden. Dat had tot gevolg dat niet alleen de mens wezenlijk veranderde, maar ook de andere natuurrijken. Wat wij nu kennen als water, lucht, minerale vaste aardbodem vormde zich uit oudere substanties, die veel meer belevendigd waren. Alle natuurrijken kregen te maken met verdichtings- en inkrimpingsprocessen. Uit de in de melkachtige eiwitatmosfeer zwevende vegetatie - aan welk stadium sommige reuzenwieren nog doen denken - ontwikkelden zich de tegenwoordige planten. Een deel van het oude plantenrijk, namelijk de recente melksapvoerende planten, slaagde erin dit melksapproces in zich op te nemen; dit proces was namelijk alleen mogelijk in een vloeibaar levensmilieu, niet meer in de nieuwe luchtatmosfeer. Tot zover over melksap in het algemeen. Bij een aantal planten, met name bij de giftig melksap voerende papaverachtigen, is er nog iets bijzonders gebeurd.

De grote impuls achter alle ontwikkeling in de natuur was van meet af aan de menswording. De natuur is wat de mens tijdens zijn ontstaansgeschiedenis uit zich gestoten heeft. Nu voltrokken zich tijdens de overgang van het Lemurische tijdperk naar het volgende (Atlantische) tijdperk onder meer de volgende belangrijke processen: er ontstonden zintuigorganen, die tot taak hadden de uitwendige wereld van de dingen waar te nemen; en, daarmee samenhangend, ontwikkelde het zenuwstelsel zich zodanig, dat het, zich concentrerend in de hersenen, door middel van de daarheen geleide levenskrachten dempende en mineraliserende processen de ontplooiing van het wakkere dagbewustzijn, dat geheel naar die ding-wereld verschuift, mogelijk maakt. 'Des mensen ogen werden geopend', en nu kende hij 'goed en kwaad'. Het betekende echter ook dat hij werd overgeleverd aan de 'condition humaine' van deze aarde: 'al zwoegende zult gij van de aardboden eten', 'in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten'. Deze belangrijke schrede voorwaarts in de wording van de mens moest deze bekopen met de 'zondeval', het verlies van de paradijselijke staat en het afdalen in de tegenwoordige aardse wereld. Het Oermaankarakter werd afgelegd.

Dit Oermaankarakter vinden we echter nog terug in het wezen van de papaverachtigen. In zeker opzicht 'verlangt' het papaverachtige deze wereld los te laten en terug te keren naar de omstandigheden van het oude Lemurië, de indrukken van de zintuigen weg te wissen, het beeld-bewustzijn van de mens die nog 'aan de boezem van de natuur' lag nieuw leven in te blazen. Het melksap van de papavers lenigt 's mensen smarten op deze aarde, het verlost hem van de arbeid van zijn ledematen. Maar de wijsheid, waarin de mens eerst zijn waardigheid ten volle ontplooit, is - gekristalliseerde smart; en het wezen van de ledematen, de wil, komt later pas tot scheppen. De plaats van de geremde verteringskrachten kan niet door een somadrank (volgens Indische wijsheid dat oude, uit Lemurië stammende voedingssap) worden ingenomen.* Slechts aan de arts is het gebruik van het sterk werkzame sap van de slaapbol en van de andere leden van de papaverfamilie (o.a. grote klaproos, stinkende gouwe, Canadese bloedwortel, holwortel en gewone duivekervel) voorbehouden. ________

* (Noot) Het raadsel van de soma-plant is nog niet definitief opgelost, d.w.z. niet alle onderzoekers stellen de somadrank gelijk aan het melksap van de papavers. De Amerikaanse etnoloog en paddestoelendeskundige Gordon Wasson, die zich, na vele jaren in hun midden te hebben verkeerd, het vertrouwen van de Middenamerikaanse indianen verwierf en daar op de ruim vijfhonderd jaar geheim gehouden cultus van de vliegenzwam (Amanita muscaria) stuitte, vermoedt dat de somadrank van de oude Arische Indiërs, de godenspijs of amrita van de Vedische goden, deze paddestoel is. Op grond van de Perzische naam voor de zijdeplant (Asclepias acida), nl. haoma (van Sanskrit soma), nam de Britse botanicus Roxburgh aan dat hij de soma-plant had gevonden. Maar volgens de Indiakenner A.L. Basham kan dit niet juist zijn. De zijdeplant is bitter en heeft geen enkele roeswerking. Basham vermoedt dat de ware identiteit van de soma-plant waarschijnlijk bhang is, een uit de hennepplant bereide drank. Bron: W.-D. Storr, "Von Heilkrëutern und Pflanzengottheiten", Braunschweig 1997, blz. 363 en 414.

Diverse artikelen
Begin
Over planten
 

Geelwortel volledig gereviseerd

  De Meloen (Pompoen) – Cucurbita pepo L.
 

Kneuzingen, zwellingen en sportblessures

  Boom opzetten over Naaldhout
  Jacobskruiskruid, vragen, vragen en nog meer vragen
  Alternatieve landbouwgewassen
  Fluite(n)kruid
  Flierefluiten met een vlierfluit
  Silphium, het verdwenen kruid
  Winterlinde (Tilia cordata Mill)
  Mangosteen (Garcinia mangostana Linn)
  Medicijn en drogerij in den Bijbel - met registers met plantenlijst
  De planten voor de Karel de Grote-tuinen
  Sint-Antoniusraapje (Ranunculus bulbosus - Knolboterbloem)
Diverse onderwerpen
 

Tips van Tenna: huismiddeltjes - EHBO uit uw keuken

  Prof. dr. Frits Muskiet: ‘Onze voeding moet gebaseerd zijn op eetpatroon oermens’
  Bestanddelen van thee
  Bloementuin
  Vakantie
  Bijenhotels voor het helpen van solitaire bijen én drachtplanten
  Bijen@wur – voorheen "De Ambrosiushoeve"
  Over de wilde cichorei (Cychorium intybus)
Uitzendingen/Podcasts
P.Munnik over kruiden
   
Woordenboek Nederlandsche Taal
Plantago PlantIndex
Letter: druk op CTRL, draai ook aan muiswiel