Het is een vrij algemeen voorkomend verschijnsel dat vrijwel geen gids een sluitend antwoord weet op de vraag hoe het nu precies zit met dennenhout, grenen, pitch pine, vuren en de bomen die er bij horen. Heel eerlijk gezegd: het is nu niet bepaald een van mijn sterke punten. Dat zou het eigenlijk wel moeten zijn, want ik heb nog les gehad in houtbewerking van de heer Wildenboer, een kenner bij uitstek. Ik kan het hem niet meer vragen waar het naadje van de kous nu precies zit of ik moet een seance op gaan zetten. Dus maar wat spitten in mijn archief en mogelijk dat we dan een antwoord krijgen op waar het naadje van de kous precies zit, misschien dat we beter kunnen zeggen: waar het nerfje in de plank loopt.
Het is een avondje of wat gaan kosten, maar ik werd ook een beetje uitgedaagd om eens een bijdrage te leveren aan een probeerwandeling waarvoor ik ter voorbereiding een boek moest openslaan, dat was me lang niet overkomen. Denk nu niet dat zoiets een indicatie voor arrogantie is, ik praat daarentegen graag over dingen die ik uit mijn hoofd kan reproduceren. Uit een vorm van gemakzucht, niet uit luiheid, want ik heb moeite moeten doen het in mijn hoofd te kunnen krijgen.
Ik hoop aan de uitdaging te zijn toegekomen en wat klaarheid in de wijn te hebben gebracht met de volgende uiteenzetting.
Bedektzadigen
Voor de goede orde gelijk maar de referentiebronnen voor dit epistel noemen:
Heukels’ Flora van Nederland 23ste druk 2005 (die nu de laatste indeling hanteert de APG II)
Nederlandse Dendrologie 6e druk 1968
Houtvademecum 7e druk 1994
We zullen ons een beetje moeten beperken tot de algemeen en vaak voorkomende in Nederland aangeplante en als inheems beschouwde soorten, anders wordt het een schier eindeloze soorten lijst. Maar curieus komen we toch op allerlei zijsprongen.
De lijst bestaat uit naaktzadigen (gymnospermae) de eerste die we qua ontwikkeling tegenkomen is de Ginkgo biloba een boom waarvan IVN Mark en Donge gebruik maakte door het als symbool van hun 25 jarig jubileum te gebruiken en enige bladen liet verzilveren.
Moeten we gaan uitleggen waarom ik de term “Qua Ontwikkeling” gebruikte: Heel kort gezegd gaat de indelingsystematiek van het plantenrijk uit van de afstamming vanaf de primitiefste naar de meest geavanceerde en uitontwikkelde soorten. Daar zit voldoende logica in om die lijn te volgen zoals ik ook doe in mijn behandeling van kruiden. Ook in plantenstofjes kun je de ontwikkelingen van de evolutie volgen en natuurlijk ook in de zo populaire DNA structuur bepaling. Hieruit kun je bijna feilloos de ontwikkelingen en afstamming afleiden.
Ginkgo
Als gezegd de Ginkgo biloba de eerste in de rij.
Naam volgens de Nederlandse Dendrologie (B.K. Boom verder te noemen: volgens Boom) Japanse Notenboom. Een tweehuizige boom met bladeren als kleine waaiertjes. Spraakverwarring alom: in de Heukels’ komt deze niet meer voor. In de druk van 1962 wordt ze Ginkgo genoemd als Nederlandse benaming.
Nu is de naam Japanse Notenboom al een verkeerde want er is weinig Japans aan, ze komt uit voornamelijk uit China. (ook al een verkeerde naam: dat heet Rijk van Midden, China is de aanduiding van aardewerk) zelfs de naam Ginkgo is niet correct in de naamgeving. Het was de bedoeling de boom onder de locale naam in de lijsten op te nemen. Nu maakte de beschrijver een schrijffoutje en schreef niet Ginkijo als op zijn Japans maar Ginkgo, dus leven we nu op alle fronten met een verkeerde naam. Is verder niet als naaldhout te beschouwen, een echt buitenbeentje.
Chinese naam: bai gou 銀杏.Engels: Maidenhair tree, Frans: Arbre aux quarante écus, Duits: Fächerblattbaum.
Als hout zal je de Ginkgo weinig tegen komen in de handel, want ze wordt als heilig beschouwd. Ik heb de noten regelmatig gegeten, geen sinecure met chop sticks, want ze zijn erg glibberig, ze worden als medicijn aangeprezen. Verder worden extracten en concentraten van het blad bij diverse ziekten aanbevolen. Het heeft weinig zin om thee van het blad te trekken, het bevat een te lage concentratie werkzame stoffen.
De overige bedektzadigen:
Het leek een aardig idee om niet alleen de namen te noemen, maar ook een soort logica aan te brengen in de indeling van dit verhaal. Vandaar het gebruik van nummers en subnummers. Dat is ook een vorm van gemakzucht want ik kan dan op eerdere stukjes terugverwijzen en ontslaat het me van het overtypen van allerlei volksnamen. Ik ben een propagandist van het gebruik van wetenschappelijke namen, want het zijn juist de volksnamen die de verwarring veroorzaken.
klasse Coniferopsida
orde Coniferales
Oftewel: Naaldhoutgewassen
Pinaceae:
De Dennenfamilie.
Hier hebben we de bron van de namenellende:
De groep omvat de volgende voornaamste soorten:
1.1
Abies
Zilverspar
1.2
Pseudotsuga
Douglasspar
1.3
Tsuga
Hemlockspar
1.4
Picea
Spar
2
Larix
Lork
3
Pinus
Den
Als je ze zo nummert zie je vanzelf het probleem 1.1. tot 1.4. hebben als uitgang de naam -spar. Vroeger heetten de Pinaceae de Abietaceae = de Denachtigen. Dat coniferales slaat op de vrucht van de meeste naaldhoutgewassen die de vrijliggende zaden omhullen genoemd worden. (Conus=Kegel) dat vrijliggen van de zaden bezorgt de groep de naam naaktzadigen ze zitten niet echt opgesloten in de vrucht. Alleen al daarover zouden we een boompje op kunnen zetten.
Boom spreekt vervolgens bij Pinus van de naam Den of Pijn de vroegere Heukels’ hield uit een hang naar eenduidigheid of misschien wel gemakzucht consequent Boom als voorbeeld voor de sectie in de Flora over bomen.
Het oogt niet allemaal even consequent, als je de naslagwerken probeert te lezen om helderheid te krijgen kom je er niet gemakkelijk uit.
Als we nu de vertegenwoordigers van de genera (zeg maar soorten) op een rij zetten en ze consequent gaan nummeren en de variatie in namen daarbij plaatsen komen we misschien uit het drama. Let op dat dit een verzamellijst is van de diverse soorten die ik heb kunnen vinden in de diverse naslagwerken ook buiten de drie die ik noemde. De eerste Nederlandse naam genoemd is de huidige officiële naam.
We houden de APG II indeling zo veel als mogelijk aan; als leidraad de Heukels’.
1.1
Abies
Zilverspar
1.1.1
Abies nordmanniana
Kaukasiche Zilverspar, was:Nordman (zilver-) Spar
1.1.2
Abies grandis
Reuzenzilverspar
1.1.3
Abies alba
Gewone Zilverspar (vroeger zilverspar de naamgever groep)
1.1.4
Abies pinsapo
Spaanse Zilverspar
1.1.5
Abies veitchii
Japanse Zilverspar
1.1.6
Abies concolor
Colorado Zilverspar
Boom noemt er meerdere maar die zijn zeer zelden voorkomend.
1.2
Pseudotsuga
Douglasspar
1.2.1
Pseudotsuga menziesii
Douglasspar
1.2.2
Pseudotsuga japonica
Japanse Douglasspar
1.2.3
Pseudotsuga sinensis
Chinese Douglasspar
Boom noemt de laatste 2 niet, laat staan Heukels’. Ze zijn hier vrijwel onbekend, maar het zijn geen onbekenden in de houthandel.
1.3
Tsuga
Hemlockspar
1.3.1
Tsuga heterophylla
Westelijke Hemlockspar. Scheerlingsden
1.3.2
Tsuga canadensis
Oostelijke Hemlockspar. Canadese Scheerlingsden
Boom noemt er meerdere maar die zijn voor ons niet van belang, opmerkelijk is wel dat hij bij de vertegenwoordigers geen Nederlandse namen plaatst.
1.4
Picea
Spar
1.4.1
Picea sitchensis
Sitkaspar
1.4.2
Picea omorika
Servische Spar
1.4.3
Picea abies
Fijnspar, kerstspar, kerstboom.
1.4.4
Picea pungens
Blauwspar
Er zijn nog vele vertegenwoordigers uit deze groep maar die zijn minder relevant. Grappig is dat hier de Picea abies als toevoeging de zilverspar als “tweede” naam heeft meegekregen, vroeger heette ze Picea excelsa.
2
Larix
Lork
2.1
Larix decidua
Europese Lork
2.2
Larix kaempferi
Goudlork
2.3
Larix leptolepus
Japanse Lork
2.4
Larix sibirica
Siberische Lork
2.5
Larix occidentalis
Westerse- of Canadese Lork
Bij de APG II indeling zijn de lorken een beetje op een hoop geharkt, vroeger heette de Goudlork Pseudolarix kaempferi en kenden we de Larix kaempferi als Japanse Lork. Er zijn een fiks aantal bastaarden in de Lorken familie. Dat maakt het niet eenvoudiger.
3
Pinus
Den, Pijn
3.1
Pinus strobus
Weymouthden
3.2
Pinus pinaster
Zeeden
3.3
Pinus nigra
Zwarte Den
3.3.1
Pinus nigra.nigra
Oostenrijkse Den, Mast
3.3.2
Pinus nigra.maritima
Corsicaanse Den
3.4
Pinus sylvestris
Grove den
3.5
Pinus mugo
Bergden
3.6
Pinus ponderosa
Gele Den
Als je de lijst zou vergelijken met de namen die onze Oosterburen gebruiken, dan valt meteen op dat wij vrij inconsequent met de begrippen Spar en Den omgaan, laat staan dat we het onderscheid tussen de Zilverspar en de Spar weten te maken. De aanduiding Pijn is al geheel en al een ongebruikelijke in de naamgeving hier ten lande. Terwijl dat in het buitenland zeer gebruikelijk is. Zelf betrap ik me erop dat ik de naam pijnboom wel gebruik tegen de naamregels van de Dendrologische Vereniging in. De naam Den gebruik ik in verband met het genus Abies en de naam Spar met het genus Picea in analogie met de Duitsers.
Dan wordt Abies: Tanne, Picea: Fichte, Pinus: Kiefer. In het Engels wordt Abies: Fir, Picea: Spruce en Pinus: Pine. De laatste leent voor Denappel Pineapple aan de stengel van de Ananas (comosus). Zodra we dan over de soorten van de Nieuwe Wereld spreken ja, dan gaan onze buren de draad ook een beetje verliezen. Dan wordt het wat minder duidelijk voor ze, net als voor ons. Alleen de latinisten onder ons kunnen wat preciezer aangeven welke boom ze bedoelen als ze het over deze groep hebben. Gelukkig is dat een beetje internationaal. Maar telkens weer komen de wetenschap beoefenaren bijeen voor een naamgevings congres en hebben we de poppen weer aan het dansen en worden naamswijzigingen doorgevoerd.
Moraal van dat verhaal is: Vervang je Flora en andere determinatie zaken met de regelmaat van de Dendrologische klok. Voor je het weet is het achterhaald waar het naamstelling en indelingen betreft. Bewaar ze wel want anders kun je de evolutie in de dendrologie niet meer volgen,
Nu verder met de Naaldbomen of naaktzadigen.
Cupressaceae Cipresfamilie
Deze familie nummeren we gewoon door:
4
Chamaecyparis
Schijncypres, dwergcypres
4.1
Chamaecyparis lawsoniana
Californische cipres, Lawson’s Schijncipres.
Te zien in het Mastbos te Breda
Chamaecyparis pisifera filifera ‘Aurea’:Gouden draad- en erwtjesdragende Schijncipres, een plaagstootje onder de wetenschappelijke namen. Verder totaal niet relevant, anders dan het grapje dat de naam impliceert.
5
Thuja
Levensboom
5.1
Thuja plicata
Reuzen Levensboom
5.2
Thuja occidentalis
Westerse Levensboom
5.3
Thuja orientalis
Oosterse Levensboom
6
Juniperus
Jeneverbes
6.1
Juniperus communis
Jeneverbes
6.2
Juniperus sabina
Sevenboom (let op! de S is geen vergissing.)
6.1, zo wordt vaak beweerd is de enige autochtoon van de naaktzadigen, daar ben ik het niet helemaal mee eens, het is wel de naaktzadige met de langste onafgebroken aanwezigheid in Nederland. Soorten die hier lang geleden voorkwamen maar met ijstijden verdwenen zijn met succes opnieuw geïntroduceerd of teruggekeerd. De J. sabina wordt hier genoemd vanwege zijn abortieve werking. In veel gemeenten daarom verboden aan te planten
De laatste familie in de Heukels´ is,
De Taxusfamilie, Taxaceae met als hoofdvertegenwoordiger in Nederland de:
7
Taxus
Taxus
7.1
Taxus baccata
Taxus, Gewone Taxus, Venijnboom
7.2
Taxus cuspidata
Taxus, Gewone Taxus, Venijnboom
Niet in de Heukels´ is te vinden de volgende lijst ik geef daarbij aan waar ze in de lijst kunnen worden geplaatst echter voor referentie o.a. naar hout en gebruik wordt de doorgaande nummering gebruikt.
8
Cephalotaxus harringtonia
Knoptaxus
9
Toreya nucifera
Beide soorten nauw verwant aan de Taxus.
Dan komen de volgende nummers in de systematiek. Eerder dan de nummer 1 in de lijst. Maar die lijst is zodanig opgesteld omdat zij wel genoemd worden in de Flora van Heukels’ en de volgende niet:
10
Metasequoia glybtostroboides
Levend fossiel, (bekend uit de fossiele bron, teruggevonden in China in 1945 op de Bergen van Lushan waar, niet ver van het zomerverblijf van Mao, een monumentje de plaats aangeeft van de vondst, of ontdekking door een plantenjager. Zo wordt het daar gepresenteerd, maar de waarheid ligt een beetje anders, de herontdekking van 1938. De naam was door de vinder anders gesteld en was het equivalent van “ochtendgloren cypres”. Vanwege de Japanners bleef het verhaal sudderen tot in 1948 toen de vondst werd vergeleken met litteratuur aangaande fossiele vondsten. Toen bleek dat de boom al eens was beschreven en een mooie academische naam had gekregen. Regel in de Dendrologie is dat een eerdere naam met voldoende argumentatie de voorkeur verdient boven een later gegeven naam al is die ingeburgerd. Vandaar zo’n naam in plaats van: shui of shan shu. Spreek uit: Schjoewie of mag ook; Schan Schjuuh. Althans zo las mijn gastheer van die dag, Lewis Liu de naam op het monumentje voor. Moraal: vertrouw niet alle verhalen, ook het mijne niet.)
11
Taxodium distichum
Moerascipres
12
Sequoiadendron giganteum
Reuzen sequoia, de beroemde reuzen van West Amerika
13
Sequoia sempervirens
Sequoia, doet weinig onder in formaat.
14
Cryptomeria japonica
Japanse cypres, bekende bonsai.
15
Sciadopitys verticillata
Parasolden
16
Aurocaria araucana
Apenden, Slangeboom, Monkeypuzzle.
Dan volgen de nummers 1 tot 2 van de lijst en tussen 2 en 3 vinden we
17
Cedrus
Ceder
17.1
Cedrus deodara
Himalayaceder
17.2
Cedrus libani
Libanonceder
17.3
Cedrus atlantica
Atlasceder
Tussen 5 en 6
Cupressus sempervirens ´Stricta´
Italiaanse cipres
19
Cupressocyparis leylandii
Een bastaard tussen de Schijncypres en een Cupressus.
De na 7 genoemde soorten wilde ik u niet onthouden omdat ze vooral op oude landgoederen nog weleens voor komen en bij lusthofjes en dergelijke. U heeft nu een idee waar ze in de systematiek voorkomen.
Voor de liefhebbers de buitenlandse namen van de bomen met namen voor het hout. Bij het benoemen van het hout heb ik de als verwerpelijk aangeduide namen weggelaten. Dat zijn in het vademecum opgenomen namen die of verwarrend of als misleidend zijn aangemerkt.
Let erop dat meestal de officiële houtnaam de locale naam van herkomst is of wat hier ten lande gebruikelijk als naam wordt opgegeven. Ook kunnen aberraties (afwijkingen in de logica) voorkomen uit “marketing overwegingen”, maar dat was u al opgevallen.
Nu hebben we een beetje overzicht gekregen in de belangrijkste naaktzadigen met de grootste groep: de naaldhout soorten.
Dit overzicht is in absolute zin beperkt, ik zie het dan ook als een vingeroefening voor het onderdeel in mijn schrijfwerk over het gebruik van planten. Ik heb de bijzonderheden over de specifieke eigenschappen niet genoteerd in dit schrijven. Maar misschien komen we er later uitgebreid op terug.
Als u bij lezing lacunes tegenkomt dan verneem ik dat graag van u.