Dr. Edward Bach: Het Verhaal van de Wandelaars (1934)
Op een goede dag, en elke dag is een goede dag , trok een groepje wandelaars erop uit voor een tocht door een bos. Ze waren met zijn zestienen. Aanvankelijk ging alles goed.
De zon ging onder en de schemer ging over in duisternis; rondom hen barstte een kabaal van nachtelijke geluiden los. Toen kreeg Zonneroosje het vreselijk benauwd en hij werd bevangen door een panische angst.
Het werd middernacht en aardedonker, en alle moed zonk Gaspeldoorn in de schoenen. Hij zei wanhopig: "Ik kan niet verder; gaan jullie maar, ik blijf hier tot de dood mij uit mijn lijden verlost."
Eik daarentegen zei, hoewel hij het gevoel had dat de situatie uitzichtloos was en dat ze de zon nooit meer zouden zien schijnen: "Ik ga niet bij de pakken neerzitten, ik ga tot het einde door." En hij liep verder, ook al wist hij niet waar de ingeslagen weg hem zou brengen.
Hardbloem had nog niet alle hoop opgegeven, maar werd wel regelmatig besprongen door onzekerheid en besluiteloosheid; als hij een bepaald pad wilde inslaan, sloeg onmiddellijk de twijfel toe en wilde hij een ander pad volgen.
Bosrank sukkelde stilletjes en lijdzaam voort, het kon hem eigenlijk bar weinig schelen of hij voor altijd de ogen zou moeten sluiten of uit het bos zou komen.
Gentiaan kon zijn metgezellen soms echt opbeuren, maar soms zag hij het niet meer zitten en verviel in een staat van diepe neerslachtigheid.
De andere helft van het gezelschap twijfelde geen moment aan de goede afloop van de tocht en ieder van hen probeerde op zijn eigen manier zijn tochtgenoten behulpzaam te zijn.
Cichorei bekommerde zich niet om de afloop van de tocht, maar lette meer op zijn metgezellen, of een van hen misschien een blaar had gekregen, moe was geworden of honger had.
en gedienstig, nederig Duizendguldenkruid wilde zo graag de last van zijn metgezellen verlichten, dat hij bereid was ieders bagage te dragen. Helaas pakte het voor nederig Duizend-guldenkruid meestal zo uit, dat hij diegenen hielp die het hardst riepen, ofschoon zij heel goed in staat waren hun eigen spullen te dragen.
Bronwater, één en al hulpvaardigheid, deprimeerde het gezelschap een beetje doordat hij het niet kon nalaten iedereen voor de voeten te werpen wat ze verkeerd deden, maar Bronwater wist wél de weg.
IJzerhard liet zich ook niets wijsmaken over de juiste weg, maar hij bleef, hoewel hij een beetje van zijn apropos was geraakt, doordrammen over de enige mogelijkheid om uit het bos te komen.
Waterviolier had die tocht al eens eerder gemaakt en de goede weg was hem dus bekend. Hij deed echter een beetje hovaardig en neerbuigend tegenover zijn tochtgenoten omdat zij niet begrepen hoe ze moesten lopen. Hij keek een beetje op de anderen neer.
Uiteindelijk kwamen ze toch met zijn allen uit het bos. En nu wijzen ze de weg aan andere wandelaars, die de tocht nog niet eerder hebben gemaakt, en omdat zij de weg kennen en weten dat de duisternis in het bos alleen maar de donkere schaduw van de nacht is, lopen zij rustig en onbevreesd, en elk van de zestien wandelaars geeft op zijn eigen manier de les door die hemzelf als spiegel werd voorgehouden.
Struikhei heeft geleerd dat iedereen op zijn eigen manier moet lopen en wandelt, als een lichtend voorbeeld voor de anderen, rustig en vol zelfvertrouwen in de voorste gelederen.
en Waterviolier beweegt zich, meer als een engel dan als een menselijk wezen, als een zoel windje of een verkwikkend straaltje zon in het gezelschap, een zegen voor allen.