Handelsschepen waren meestal van sparrenhout gemaakt, omdat dit niet ging rotten. Voor het bouwen van huizen werd zilverspar het meest toegepast. Kermeseik had de voorkeur voor de assen van kruiwagens en de dwarsbalken van lieren en psalters. Van iep werden deuren en wezelvallen gemaakt, omdat dit hout het minst kromtrok, maar het werd ook voor scharnieren gebruikt. Steeneiken en judasbomen zorgden voor wandelstokken, van het hout van de olijfboom werden hamers en handboren gemaakt. Cultusbeelden werden meestal van palmhout gemaakt, dat licht, zacht en makkelijk te bewerken, maar minder broos dan kurkeik was. De beste houtskool kwam van compact hout zoals de steeneik, wintereik of aardbeiboom. Bijenhouders wisten welke planten de beste honing produceerden. En van veel planten was de geneeskrachtige of giftige werking bekend. Bijvoorbeeld de gevlekte scheerling, die "een gemakkelijke en snelle dood" gaf (dit gif had Socrates in 399 v. Chr. gebruikt voor het drankje waarmee hij zelfmoord pleegde). Een lucratief kruid In Theophrastus' dagen was de cyclaam, die in het oude Griekenland door vrouwen op grote schaal als voorbehoedmiddel werd gebruikt.
Een probleem was echter de naamgeving. Er bestonden geen algemeen aanvaarde namen. Elke streek viel terug op de aanduidingen die daar van oudsher in omloop waren. Zelfs binnen een klein gebied kon dezelfde naam worden toegekend aan verschillende planten. Soms hing je leven er zelfs van af: "Van de verschillende planten die strychnos worden genoemd," schrijft Theophrastus, "is de één een eetbare en gecultiveerde plant met besachtige vruchten, maar er zijn nog twee andere soorten: eentje wekt de slaap op, de andere maakt je gek." Tot de achttiende eeuw maakten apothekers misbruik van deze naamsverwarring en moedigden haar zelfs aan om hun in een waas van geheimzinnigheid gehulde kennis te beschermen en hun machtspositie te handhaven.
Theophrastus deed een poging om te ontdekken of er een orde in het plantenrijk gevonden kon worden. Hij was de eerste die planten in hun relatie tot elkaar beschouwde en bestudeerde om hun eigen intrinsieke waarde. Hij keek niet in de eerste plaats naar hun praktische nut voor de mens (voedselplant, geneeskruid, gebruiksplant). Magie en geneeskunde waren twee krachtige drijfveren om meer over planten te weten te komen, maar Theophrastus wilde ze op een andere manier leren kennen: louter om kennis te vergaren. Vanuit die kennis ontstonden lamgzaam verbanden tussen bepaalde planten. Theophrastus paste het classificatieprincipe, dat door Plato en Aristotels was geïntroduceerd, toe op de plantenwereld. Hij begon met zichzelf twee vragen te stellen: "Welke planten zijn er?" en "Wat zijn de kenmerkende eigenschappen die deze plantn van andere onderscheidt?"
Het antwoord op de eerste vraag was betrekkelijk eenvoudig. Hij maakte een lijst van ongeveer vijfhonderd planten (in zijn indeling: bomen, struiken, lage struiken en kruidachtige planten). De tweede vraag, die tal van implicaties heeft, was veel lastiger te beantwoorden en zou, zoals de geschiedenis ons leert, botanici eeuwenlang bezighouden, tot de dag van vandaag. Hoewel we thans ongeveer 422.000 plantensoorten kennen, kunnen we nog steeds niet zeggen dat we een definitief antwoord hebben. Tuiniers klagen voortdurend over het feit dat planten zo vaak worden herbenoemd en in nieuwe soorten of families worden ondergebracht, maar dat is peanuts vergeleken met wat er in recente jaren aan de gang is: het DNA-onderzoek aan planten dreigt de hele basis van ons classificatiesysteem omver te werpen.
Het is deze niet aflatende speurtocht naar orde en systematiek in het plantenrijk die Anna Pavord onderzoekt in haar zeer wetenschappelijk doortimmerde maar buitengewoon leesbaar geschreven boek Namen noemen. Haar liefde voor de botanie en de plantenclassificatie en haar niet te onderschatten schrijftalent werken bijzonder aanstekelijk: het onderwerp had gemakkelijk een droge verhandeling kunnen worden, maar in Pavords handen ontstaat er een boeiend verhaal dat zo spannend is als een detectiveroman.
Wanneer we denken aan de identificatie van planten, komen algauw twee namen in ons op: de Romein Plinius de Oudere (23 - 79) en de Zweedse Natuuronderzoeker Carl Linnaeus (1707 - 1778), op wiens naam (ten onrechte, zoals Pavord aantoont) het binomiale systeem van wetenschappelijke naamgeving staat zoals wij dit heden ten dage kennen.
Voor beiden heeft Anna Pavord maar weinig goede woorden over. Plinius, zo spot ze, is niet meer dan een plagiator. Zijn werk en dat van de Griekse arts Dioscorides (geboren in 40 n. Chr.) "werden toonbeelden, en dubieuze bronnen, van plantenkennis. Beiden stelden ze op hetzelfde moment een compendium van planten samen (in het jaar 77). Maar noch Plinius, noch Dioscorides stelde vragen. Geen van beiden ging op een bepaalde weg verder in het complexe proces van het benoemen van planten. Ze waren kopieerders en samenstellers, geen denkers. Dioscorides was op de eerste plaats een man van de geneeskunde, op de tweede plaats een plantendeskundige. De medische eigenschappen van planten waren zijn belangrijkste interesse. De advocaat Plinius, wiens Historia naturalis van het jaar 50 tot het begin van de zestiende eeuw een van de belangrijkste naslagwerken van planten was, was een Romeinse duitendief. Hij vrat en herhaalde slaafs feiten, feiten en nog eens feiten in grote aantallen, maar zonder er verder veel mee te doen. Hij bracht ze niet samen om er allerlei conclusies aan te verbinden. Zo maakte hij weinig onderscheid tussen zaken die ogenschijnlijk waar bleken te zijn, maar die slechts fabeltjes waren. Dioscorides en Plinius hadden samen de twee disciplines, de filosofische en praktische, die Theophrastus zo slim in zijn werk combineerde, kunnen uitbreiden. In plaats daarvan brachten ze de plantenstudie terug naar zijn laagste vorm, alleen interessant om aan de behoeften van de mens tegemoet te komen. De twee lijnen werde, in plaats van ze uit te breiden, opnieuw tot één gereduceerd: de kruidkundige." Na plinius zonk het plantenonderzoek in Europa voor ruim duizend jaar weg in volledige apathie. Gedurende deze lange tijd schijnt niemand meer met een objectief oog naar planten te kijken, schrijft Pavord. Het is slechts geneeskunde dat de klok slaat.
Ofschoon evenzeer afgeleid door de aanspraken van apothekers, namen Arabische onderzoekers de teugels over sinds ongeveer het jaar 600. Zij trokken er weer zelf op uit om planten te zoeken en te identificeren en ontwikkelden hun kennis van geneesmiddelen (d.w.z. de kennis van geneeskrachtige planten) tot ongekende hoogte. Weliswaar leverden zij geen sunstantiële bijdrage aan het debat dat door Theophrastus in gang was gezet - het onderwerp van Pavords boek - maar zij deden in elk geval hun best om de kennis van de oude Grieken te bewaren door vele van hun werken te vertalen. Door hen werd de antieke kennnis in Europa geherintroduceerd, door Pavord aangeduid als "het gezegende tijdperk van de Arabische infiltratie". Later, in de Renaissance, kreeg het praktisch onderzoek van planten voor wat ze zijn een krachtige nieuwe impuls, en dit leidde in de daarop volgende drie eeuwen tot de steeds nauwkeuriger wordende ontwikkeling van het vakgebied dat we nu botanie noemen.
In dit boeiende relaas, waarin tal van illustere schrijvers, onderzoekers en illustratoren de revue passeren, komt Linnaeus er maar bekaaid van af. Hij krijgt, wellicht niet helemaal fair, niet meer dan enkele alinea's toebedeeld. "En ergens moeten we, zij het schoorvoetend, een dankbaar knikje geven aan Carl Linnaeus, de Zweedse botanicus die zijn eigen boek, Species plantarum, dat in 1753 verscheen, omschreef als 'de grootste prestatie in het rijk van de wetenschap'." Linnaeus had het binomiale naamgevingssysteem niet zelf uitgevonden, hij bouwde slechts voort op het werk van onder meer Theophrastus (!), Brunfels, Fuchs, en vooral Andreas Caesalpinus en Gaspard Bauhin. Linnaeus' bijdrage bestond voornamelijk in het inzicht, waar het bij vroegere geleerden nog aan schortte, dat een naam slechts hoefde aan te duiden, hij hoefde een plant niet te beschrijven. Maar op zijn controversiële manier voor het groeperen van planten, gebaseerd op het aantal en de verdeling van meeldraden en vruchtbladen in een bloem, bleek uiteindelijk toch niet zo steekhoudend te zijn als hij voorgaf.
Wat dit boek vooral tot een genot om te lezen maakt, afgezien van de vele scherpe terzijdes die de auteur in haar betoog vlecht en haar plezier om oude gevestigde ideeën in twijfel te trekken, zijn de honderden werkelijk schitterend gereproduceerde kleurenafbeeldingen uit oude kruidboeken. Ze beklemtonen het belang van de plantenillustratie in de ontwikkeling van nauwkeurige systemen van plantenidentificatie, met name sinds de opkomst van de boekdrukkunst en de verspreidng van kennis middels het gedrukte woord in de veertiende eeuw. Namen noemen is een prachtig en zeer rijk gedocumenteerd boek
Het vertelt een verhaal van waarlijk epische proporties, dat ons voert van het oude Athene door het sprookjesachtige Midden-Oosten en het protestante Noord-Europa tot de reformatie in Engeland, met tochtjes naar Amerika en naar de jungle van Borneo. En er zijn weinig auteurs die beter zijn toegerust om dit fascinerende verhaal op te schrijven.
De Nederlandse vertaling van Dagmar Jeurissen is met aandacht gemaakt.
Fragment uit hoofdstuk V
http://www.nl.bol.com/is-bin/INTERSHOP.enfinity/eCS/Store/nl/-/EUR/BOL_DisplayProductInformation-LookInSide?BOL_OWNER_ID=1001004004484741&
Section=BOOK&Secondary=looki&num=1
Meer over oude kruidboeken en hun auteurs:
http://www.plantaardigheden.nl/aardig/
aardigheden/kruidenboeken.htm
Overzicht van de belangrijkste door Anna Pavord behandelde onderzoekers:
Theophrastus (372 - 287 v. Chr.)
Plinius de Oudere (23 - 79)
Dioscorides (40 - ?)
Avicenna (980 - 1037)
Theodorus Gaza (1398 - 1478)
Niccolò Leoniceno (1428 - 1524)
Euricius Cordus (1486 - 1535)
Otto Brunfels (1488 - 1534)
Luca Ghini (1490 - 1556)
Pietro Andrea Matthioli (Matthiolus) (1501 - 1577)
Leonhart Fuchs (1501 - 1566)
Guillaume Rondelet ( 1507 - 1566)
William Turner (1508 - 1568)
Luigi Anguillara (1512 - 1617)
Valerius Cordus (1515 - 1544)
Conrad Gesner ( 1516 - 1565)
Rembert Dodoens (1517 - 1585)
Andreas Caesalpinus (1519 - 1603)
Ulysses Aldrovandi (1522 - 1605)
Carolus Clusius (1526 - 1609)
Henry Lyte (1529 - 1607)
Lobelius (1538 - 1616)
Jean Bauhin (1541 - 1613)
Gaspard Bauhin (1560 - 1524)
John Ray (1627 - 1705)
Nehemiah Grew (1641 - 1712)
Joseph Pitton de Tournefort (1656 - 1708)
Linnaeus (1707 - 1778)
R. van der Hoeden
|